Conclusie
1.Feiten
‘S: Van achteren aangereden. Vandaag last van ru[g]/
schouder/hoofdpijn.’De huisarts zet onder O: ‘whiplash’. [verweerster] was op 17 september 2001 op arbeidstherapeutische basis weer aan het werk gegaan na in februari 2001 in de Ziektewet te zijn gekomen vanwege een zenuwpeesontsteking in de linker elleboog.
2.Procesverloop
primairbetwist dat [verweerster] als inzittende in de door [betrokkene 1] bestuurde auto was betrokken bij het ongeval.
Subsidiairhebben zij de hoogte van de schade als gevolg van het ongeval en het causale verband tussen de schade en het ongeval betwist. [9]
Van achteren aangereden. Vandaag last van rug/schouder/hoofdpijn’. De huisarts zet onder O: ‘whiplash’. Hierna heeft zij zich nog een aantal maal bij de huisarts gemeld met whiplashklachten c.q. nekklachten en is zij in 2005 naar de neuroloog geweest met klachten van hoofdpijn, nekpijn, schouderpijn en tintelingen in armen en benen.
3.Inleidende opmerkingen
4.‘Verval van recht’ na (poging tot) fraude door derde-claimanten?
uberrimae fidei. [29] De verzekeraar is zowel bij het sluiten van de verzekering als na het plaatsvinden van het verzekerde evenement in sterke mate afhankelijk van informatie van de verzekeringnemer en/of de verzekerde die vaak moeilijk te controleren is. [30] Juist bij het verzekeringscontract is het zaak het zogenoemde
moreel risicote beteugelen, het risico dat een belanghebbende bij verzekering het lot een handje helpt of de zaak flest om een uitkering in de wacht te slepen. Het verbaast daarom niet dat zware sancties worden gesteld op (poging tot) misleiding en/of oplichting en evenmin dat stevig optreden extra aandacht krijgt in een tijd als deze waarin oplichting en verzekeringsfraude regelmatig aan de orde blijken te zijn en hiermee honderden miljoenen euro’s gemoeid zijn. [31] Behalve bij reisverzekeringen en zorgverzekeringen komt fraude, zowel door verzekerden als door derde-benadeelden, nadrukkelijk ook in beeld bij motorrijtuigverzekeringen. [32] Voor de onderhavige zaak is van belang dat in de doctrine wordt gedebatteerd over de mogelijkheden voor verzekeraars om in aanvulling op mogelijke strafrechtelijke sanctionering, civielrechtelijk op te treden tegen (poging tot) verzekeringsfraude. [33] Wat kan het privaatrecht bijdragen? [34]
aangaanvan het verzekeringscontract hierna verder buiten beschouwing en beperk ik mij tot uitvoeringsperikelen. [35]
Benzol-arrest volgde dat de verzekeraar ondanks de terugwerkende kracht van ontbinding wegens wanprestatie naar oud recht niet met een beroep op art. 1302 BW Pro (oud) kon ontkomen aan de gevolgen van een reeds ontstaan recht op uitkering. [36] In de praktijk moesten verzekeraars daarom hun toevlucht zoeken in polisvoorwaarden waarin specifieke fraudeclausules werden opgenomen. [37]
eigen rechtjegens de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke WAM-verzekerde. [44] Van het eigen recht van art. 6 WAM Pro te onderscheiden is de
directe actievan art. 7:954 BW Pro. In geval van personenschade (schade door dood of letsel) heeft de benadeelde krachtens deze bepaling het recht om, kort gezegd, rechtstreeks van de aansprakelijkheidsverzekeraar die tot een uitkering gehouden is, betaling aan hem te vorderen. [45] Het is dan dus de benadeelde die vergoeding ontvangt en niet de verzekerde. Art. 6 WAM Pro biedt de benadeelde een verdergaande bescherming dan art. 7:954 BW Pro, nu bij art. 6 WAM Pro de verzekeraar de benadeelde niet de verweermiddelen kan tegenwerpen die hij tegen de verzekerde zou kunnen aanvoeren. [46] Zo ver gaat de
action directevan art. 7:954 BW Pro niet: de bescherming die deze bepaling beoogt te bieden, heeft eerst en vooral betrekking op het risico van insolventie van de verzekerde.
punitive damagesniet mogelijk zou moeten zijn. [52] Vooralsnog realistischer lijkt het bepleiten van verval van het recht op dekking naar het voorbeeld van art. 7:941 lid 5 BW Pro. Bij gebreke van een contractuele relatie tussen derde-claimant en aansprakelijkheidsverzekeraar kan van
rechtstreeksetoepassing van art. 7:941 lid 5 BW Pro uiteraard geen sprake zijn. [53] Dat neemt niet weg dat in de doctrine hardop wordt nagedacht over (vormen van) analoge toepassing.
quasi-schuldeiser en
quasi-schuldenaar, zij zal toch worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. [59] Van een andere orde, maar ik vermeld het hier volledigheidshalve alvast, is de verwijzing van voorstanders van een stevige sanctie op (poging tot) fraude naar art. 21 Rv Pro en de bevoegdheden die rechter bij schending van de waarheidsplicht heeft (hierna randnummers 4.25 e.v.).
fraus omnia corrumpitdat onder meer, maar niet alleen, tot uitdrukking komt in art. 7:941 lid 5 BW Pro en dat ook door de Geschillencommissie wordt aangehaald (hiervoor randnummer 4.18). [65] De concrete uitwerking in deze bepaling heeft alles te maken met het belang van vertrouwen dat juist het verzekeringscontract kenmerkt (hiervoor randnummer 4.1). Weliswaar ontbreekt een verzekeringsrelatie tussen derde-claimant en WAM-verzekeraar, maar de laatste is bij de afwikkeling van de schade op een vergelijkbare manier afhankelijk van door de derde-claimant te verstrekken informatie. [66]
status aparteheeft en zich gezien zijn buitencontractuele positie in ieder geval (veel) meer kan veroorloven dan de verzekerde. [71] Afgezien van aansprakelijkheid voor schade zoals de kosten van het (fraude)onderzoek jegens de verzekeraar ziet Van Tiggele-van der Velde geen reële civielrechtelijke sancties voor zich. [72] De consequentie is dat de derde-claimant, in geval van een ‘opgeblazen schade’, het fraude-deel van zijn schade niet uitgekeerd krijgt, maar de rest van zijn schade (de werkelijke schade) wel. Daarvoor moet de verzekeraar dekking verlenen, aldus Van Tiggele-van der Velde, die er daarbij wel op wijst dat aan het bewijs ten aanzien van de werkelijke schade in zo’n geval hogere eisen mogen worden gesteld, [73] juist omdat is komen vast te staan dat de derde-benadeelde het niet al te nauw met de waarheid neemt. Onder dergelijke omstandigheden zou de uitkeringsplicht van de verzekeraar wat haar betreft moeten worden beperkt tot de schade die langs andere weg dan de eigen verklaring van de verzekerde is komen vast te staan. [74]
fraus omnia corrumpit-beginsel. [78] Van Tiggele-van der Velde is hierdoor echter niet overtuigd. In een latere bijdrage blijft zij daarom bij haar terughoudende standpunt. [79]
in rechte: afgezien van het zojuist genoemde stellen van zwaardere eisen aan het te leveren bewijs, kan daarbij ook weer worden gedacht aan zwaardere sancties zoals verlies van het recht om in hoger beroep verder te procederen over de werkelijke schade. In de feitenrechtspraak zijn in dit verband enkele hierna nog te bespreken gevallen aan de orde geweest (randnummers 4.27 e.v.), die weliswaar niet steeds betrekking hebben op schadeclaims en/of verzekeringsclaims, maar wel de aandacht hebben getrokken van auteurs die zich bekommeren om civielrechtelijk optreden tegen frauderende derde-claimanten.
in rechtebiedt, [83] toont Van Tiggele-van der Velde zich ook hier terughoudend. [84] Haar belangrijkste punt, en dat heeft alles met haar terughoudende materieelrechtelijke standpunt te maken (hiervoor randnummer 4.21), is dat het niet voor de hand ligt langs de weg van art. 21 Rv Pro vergaande sancties aan (poging tot) fraude te verbinden waar deze materieelrechtelijk niet mogelijk zijn: de bedoeling van art. 21 Rv Pro kan niet zijn dat het materiële recht zodanig wordt ‘overruled’ dat een derde-benadeelde die zich geconfronteerd ziet met een verzekeraar die hem van fraude beticht, de stap naar de rechter uiteindelijk niet meer durft te maken, omdat hij het risico loopt dat hij dan niets ontvangt. Daar komt bij dat zij wil waken voor toepassing van (vergaande sancties via) art. 21 Rv Pro bij (poging tot) fraude die eerst en vooral
buiten rechteis gepleegd: uiteindelijk ziet art. 21 Rv Pro immers op proceshandelingen en beoogt de bepaling een zuivere en efficiënte procesgang te waarborgen. [85]
tegendan voor een algemene regel;
incidenteel gevalwel wordt aangenomen. Art. 21 Rv Pro geeft de rechter nu eenmaal veel ruimte.
algemene regelvoor me zie die bijvoorbeeld inhoudt dat de frauderende derde-claimant het recht verliest om verder te procederen over zijn werkelijke schade.
5.Bespreking van de klachten
in civilibus;
De rol van [verweerster] bij de valse verklaringen