Conclusie
2.ten aanzien van de moord op [betrokkene 10] (zaaksdossier Perugia)
3.ten aanzien van de criminele organisatie
4.ten aanzien van de paspoorten
5.Ten aanzien van het witwassen
eerste middelklaagt dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat samengevat inhoudt dat met de totstandkoming van de kroongetuigeregeling is beoogd een gesloten systeem in de wet neer te leggen en het opportuniteitsbeginsel is ingeperkt, zodat enkel toegezegd kan worden dat het Openbaar Ministerie strafvermindering zal vorderen en dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet verschillende beslissingen kon nemen op basis van het opportuniteitsbeginsel. De afwijking door het hof van deze standpunten zou onjuist, althans onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd zijn.
NJ2012/190. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad stilgestaan bij welke toezeggingen toelaatbaar zijn in het kader van art. 226g Sv:
tweede middelbevat de klacht dat het hof in afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie kon beslissen om ten aanzien van de ‘kroongetuigen’ af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering, terwijl dit oordeel onjuist, althans onvoldoende dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd is.
2.2.2.6.2.6 Het afzien van voordeelsontneming in relatie tot de verklaringsafspraak
. Tevens werd bepaald dat op die beslissing zou kunnen worden teruggekomen als na het sluiten van de overeenkomst zou blijken dat er substantiële verhaalsmogelijkheden waren.
derde middelklaagt dat het hof in afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt onjuist heeft geoordeeld dat de bewoordingen van art. 226j lid 3 Sv en de totstandkoming ervan niet enige grond bieden voor het oordeel dat die regeling voorschrijft dat ook de beschermingsmaatregelen ten aanzien van een ‘kroongetuige’ aan toetsing (door de rechter-commissaris) moeten worden onderworpen, althans dat dit oordeel onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd.
2.2.2.4 Getuigenbescherming
vijfde middelklaagt dat het hof de zogeheten ‘ [betrokkene 23] -weglatingen’ ten onrechte niet als (onderdeel van de) toezegging of beloning op grond van art. 226g Sv heeft gezien, alsmede dat het hof dit onherstelbaar vormverzuim niet heeft gesanctioneerd met bewijsuitsluiting en heeft geoordeeld dat dit vormverzuim voldoende is gecompenseerd, althans dat het hof deze oordelen onvoldoende en onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
[betrokkene 23] -weglatingen
2.2.2.6.2.8 De “ [betrokkene 23] -weglatingen” als onrechtmatige toezegging van het Openbaar Ministerie aan de kroongetuige [getuige 1]
buiten beschouwingdienen te worden gelaten,
aangezien aangenomen moet worden dat de betrouwbaarheid van die verklaringen daardoor is aangetast.
uitsluitingop basis van art. 359a Sv.”
NJ1999/773 m.nt. Reijntjes. In die zaak was door het Openbaar Ministerie met een getuige een deal gesloten, waarbij het akkoord is gegaan met de door deze getuige gestelde voorwaarde dat hij over een of meer bepaalde personen geen verklaringen zou behoeven af te leggen. Het hof constateerde dat de officier van justitie tegenover de verdediging en het hof geen openheid had betracht over de volledige inhoud van de overeenkomst. Dit was volgens het hof zozeer in strijd met de beginselen van een goede procesorde, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard. Dit gold enkel voor de feiten waarin de verdenking was ontstaan nadat deze getuige belastend had verklaard. Door de verdediging van [medeverdachte 1] is dit arrest genoemd, waarbij de kanttekening is geplaatst dat naar huidig inzicht een dergelijke toezegging niet ertoe zal leiden dat het Openbaar Ministerie zijn vervolgingsrecht verliest.
NJ2016/153 m.nt. Vellinga-Schootstra. De verdachte was veroordeeld voor bedreiging. Het verweer was gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat de inhoud van de camerabeelden van het toegepaste aanhoudingsgeweld door de politie onjuist was geverbaliseerd en eveneens het letsel van de verdachte onjuist was beschreven. Het hof constateert dat in dit geval een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort zou kunnen worden gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Het hof wijst er echter op dat de camerabeelden en de verklaring van de arts uiteindelijk aan het dossier zijn gevoegd. Het oordeel van het hof dat hiermee de geconstateerde verzuimen zijn hersteld acht de Hoge Raad niet onjuist. Daarbij wordt opgemerkt dat de gang van zaken niet de conclusie rechtvaardigt dat de verdachte "was definitively deprived of a fair trial”. [110]
vierde middelklaagt dat het hof in afwijking van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt onjuist heeft geoordeeld dat ten aanzien van met ‘kroongetuigen’ overeengekomen getuigenbeschermingsmaatregelen (enkel) van een onrechtmatige situatie sprake is of kan zijn indien het Openbaar Ministerie “onder het mom van bescherming van de getuige afspraken maakt of toezeggingen doet, die redelijkerwijs niet met passende bescherming in verband kunnen worden gebracht doch wel strekken tot het louter of overwegend (financieel) belonen van de bereidheid van de getuige om in een strafvorderlijke context te verklaren. Dat geval impliceert een onrechtmatige situatie, die ofwel het gevolg is van list en bedrog aan de zijde van de Staat althans van het volkomen falen van de in het Besluit getuigenbescherming geregelde bestuurlijke controle”, althans dat het hof dit oordeel onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
2.2.2.5 Ongeoorloofde toezeggingen?
zesde middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring van de feiten 1 (dossier ‘Agenda’), 2 (dossier ‘Perugia’) en 3 (deelneming aan een criminele organisatie) geheel dan wel in beslissende mate heeft gegrond op de verklaringen van twee kroongetuigen en een anonieme bedreigde getuige, waardoor het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd nu het steunbewijs (vrijwel) uitsluitend bestaat uit de verklaringen van dergelijke bijzondere getuigen, althans het hof zou zijn oordeel onvoldoende dan wel onbegrijpelijk hebben gemotiveerd.
zevende en achtste middelklagen over het door het hof gegeven betrouwbaarheidsoordeel over de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] . De vraag naar de betrouwbaarheid van deze getuigen heeft veel aandacht gekregen in het Passageproces. De verweren die hierover zijn gevoerd hebben geleid tot een uitvoerige beschouwing in het arrest over de vraag of de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] betrouwbaar zijn. Het belang van het antwoord op die vraag voor de uitkomst van deze zaak, kan niet worden onderschat. De verklaringen van de verdachten en die van de kroongetuigen lopen namelijk wezenlijk uiteen. Zoals het hof het heeft verwoord: “het is voor ieder van hen in feite zwart of wit, van grijstinten lijkt geen sprake te zijn. De verklaringen van verdachten en kroongetuigen sluiten elkaar over en weer uit.” [134] Deze context maakt de vraag of de genoemde getuigen betrouwbaar zijn, des te belangrijker.
zevende middelklaagt in de kern genomen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] onjuist dan wel onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
de auditu-bewijs (van horen zeggen). [medeverdachte 1] is daarbij een belangrijke bron gebleken. [getuige 1] heeft verklaard over [medeverdachte 1] dat hij met “desinformatie” kon “strooien”. Het hof heeft hierbij de contacten tussen de verdachte en de toenmalige CIE betrokken, waaruit blijkt dat het verstrekken van informatie veel weghad van een schaakspel. Dit brengt volgens het hof mee dat de indirect van [medeverdachte 1] afkomstige informatie toereikende bevestiging moet vinden in de overige onderzoeksbevindingen. Tevens wijst het hof erop dat [getuige 1] gefragmenteerde informatie heeft gekregen, waarbij hij naar eigen zeggen ook gebruik heeft gemaakt van ‘logica’ en ‘overtuigingen’ om zijn verklaringen te construeren. Ook dit noopt tot een kritische beoordeling van de informatie, maar deze omstandigheden als zodanig diskwalificeren hem nog niet als getuige, aldus het hof.
Het hof heeft onderzocht of de, hierna te noemen aspecten en gebeurtenissen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de kroongetuige [getuige 1] . Het gaat daarbij achtereenvolgens om:
de door [getuige 1] in zijn verklaringen gebrachte “zekerheidjes" (bewust geïntroduceerde onwaarheden die hem in het geval van afketsen van de deal als verdachte hadden kunnen baten).
De [betrokkene 23] -weglatingen. Hiermee is het volgende bedoeld. Op een zitting van de rechtbank in de maand oktober van 2011 heeft de kroongetuige [getuige 1] onthuld dat hij de naam van [betrokkene 23] wél tijdens zijn eerdere, in het geheim gehouden verhoren (de kluisverklaringen) bij de politie heeft genoemd. Maar met instemming van de officier van justitie is er welbewust en zorgvuldig van afgezien daarvan in de verslaglegging van die verhoren mededeling te doen. Daarom kon de lezer daarvan geen weet hebben. [getuige 1] had dit bij de CIE-officier van justitie bedongen, omdat hij geen vertrouwen had in een toereikende beveiliging voor hemzelf en zijn naasten als bekend zou worden dat hij ook over [betrokkene 23] had verklaard.
In-de-plaats-stellingen. In het verlengde van het met die weglatingen door [getuige 1] nagestreefde belang zou hij in zijn verklaringen in plaats van de naam van [betrokkene 23] die van [verdachte] hebben ingevuld, ten onrechte.
De vraag naar het mogelijk niét gepleegd hebben van de wél door [getuige 1] bekende moord (die op [betrokkene 14] ), en het wél gepleegd hebben van een moord die in het Passageproces op geen enkele dagvaarding voorkomt en die door [getuige 1] wordt ontkend (die op [betrokkene 36] ).
Bestanden die zijn aangetroffen in een onder [getuige 1] inbeslaggenomen laptop. Die tekstbestanden zijn geschreven door [getuige 1] en beschrijven een andere gang van zaken dan die door hem eerder spontaan is toegegeven en beschreven: zijn aandeel in de moord op [betrokkene 14] . En zijn al vóór 2007 mislukte pogingen om bij justitie tegen zijn eigen voorwaarden informatie te verstrekken.
achtste middelklaagt in de kern genomen dat het oordeel van het hof met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2] onjuist dan wel onvoldoende, althans onbegrijpelijk is gemotiveerd.
negende middelklaagt dat het hof in strijd met art. 3 EVRM Pro aan de verdachte een levenslange gevangenisstraf heeft opgelegd, althans dat ’s hofs oordeel dat daartoe kon worden overgegaan onvoldoende met redenen is omkleed.
De criteria die het Adviescollege aanlegt, zoals opgenomen in art. 4, vierde lid, Besluit ACL, zijn derhalve tevens van belang voor de beslissing omtrent gratieverlening.(20) Het komt bij de ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening of de beoordeling van een nadien ingediend verzoek tot gratieverlening derhalve aan op de vraag of – gelet op het gedrag en de ontwikkeling van de veroordeelde gedurende zijn detentie, en in aanmerking genomen de overige in art. 4, vierde lid, Besluit ACL genoemde criteria – verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. Vanwege deze samenhang tussen enerzijds de in de gratieprocedure toepasselijke maatstaf en anderzijds de advisering door het Adviescollege, verschaft art. 4, vierde lid, Besluit ACL voor de veroordeelde ook in voldoende mate inzicht in de objectieve criteria die worden aangelegd bij de in 3.4 geschetste procedure van herbeoordeling.(21)
De Penitentiaire beginselenwet voorziet in het recht van (beklag en) beroep ter zake van beslissingen die verband houden met het detentie- en re-integratieplan en de daarin op te nemen activiteiten, ook voor het einde van de eerder genoemde termijn van 25 jaar, alsook beslissingen omtrent het verlenen van re-integratieverlof. De vraag of het detentieverloop in een individueel geval in overeenstemming is met de eisen die art. 3 EVRM Pro stelt, komt in deze penitentiaire rechtsgang aan de orde.
de jurereëel perspectief biedt op vrijlating verschoven is naar een onbepaald moment, miskent het dat de Hoge Raad zich daarover reeds heeft uitgesproken. In het zojuist genoemde arrest heeft de Hoge Raad immers geoordeeld dat het stelsel van herbeoordeling zodanig is vormgegeven dat in de zich daarvoor lenende gevallen overgegaan kan worden tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf en de oplegging van die straf daarmee op zichzelf niet in strijd is met art. 3 EVRM Pro. In dat oordeel ligt besloten dat de gestelde voorwaarden waarin het toetsingskader van het huidige stelsel voorziet, voldoet aan de eisen die voortvloeien uit art. 3 EVRM Pro. In dat verband komt het hof in de onderhavige zaak op basis van de verwijzing naar de overweging van het EHRM in de zaak Hutchinson [172] niet onbegrijpelijk tot de conclusie dat bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat vooraf vastgestelde objectieve en kenbare criteria ontbreken. Ook overigens is arrest van het hof in lijn met voornoemde oordeel van de Hoge Raad, nu uit ’s hofs (slot)overweging blijkt dat het een
juridischebeoordeling betreft van een sinds korte tijd bestaande regeling. Populair gezegd voldoet het huidige stelsel ‘op papier’ aan de eisen zoals voortvloeiend uit art. 3 EVRM Pro.
de factoeen reëel perspectief op vrijlating bewerkstelligt, heeft de Hoge Raad mijns inziens terecht geen acht geslagen op de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die onder de oude regeling bestonden. In dat verband heeft het hof in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk overwogen dat daarover pas kan worden geoordeeld na verloop van tijd, omdat juist de praktische toepassing van de nieuwe regeling zal uitwijzen of de beslispraktijk in overeenstemming is met de vereisten die voortvloeien uit art. 3 EVRM Pro.
tiende middelklaagt over de motivering van de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3] gezamenlijk.
8.7 De benadeelde partij [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 3]
namens de benadeelde partij [betrokkene 1] voorgestelde schriftuurkomt met klachten, verdeeld over drie middelen op tegen enkele overwegingen van het hof in het kader van de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering tot vergoeding van shockschade.
namens de benadeelde partijen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorgestelde middelricht zich tegen (de motivering van) 's hofs beslissing niet een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr op te leggen.