Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat art. 51 Sv Pro in hoger beroep is geschonden, aangezien niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding naar de raadsman van de verdachte is verzonden en evenmin blijkt dat het hof heeft onderzocht of de raadsman een afschrift van de appeldagvaarding heeft ontvangen.
NJ2013/416, HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6743 en HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:BI1375. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voorschrift van art. 51, tweede volzin, Sv niet is nageleefd. In die zaken is in cassatie een stelbrief van een advocaat, gericht aan de strafgriffie van het hof, overgelegd. In die zaken was in cassatie tevens een verzendrapport c.q. transactierapport overgelegd, waaruit kon worden afgeleid dat deze brief daadwerkelijk tijdig per fax was verzonden naar de strafgriffie van het hof. De Hoge Raad overwoog dat de inhoud van dit rapport voldoende grond biedt voor het ernstige vermoeden dat die brief wel ter griffie van het hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt. In het onderhavige geval is in cassatie geen bewijsstuk van verzending overgelegd.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten aanzien van feit 1 ten onrechte heeft geoordeeld dat “een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten” zoals bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994.
derde middelbehelst de klacht dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ten onrechte heeft toegewezen, nu van rechtstreekse schade als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit niet is gebleken. Het
vierde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij [betrokkene] strekkende tot vergoeding van immateriële schade heeft toegewezen, onder meer omdat niet is gebleken dat ten gevolge van het onder 1 bewezen verklaarde letsel is toegebracht. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv de opgelegde vrijheidsstraf onvoldoende met redenen heeft omkleed.