Conclusie
1.Feiten
Uitsluiting gemeenschap van goederen
2.Procesverloop
Ten aanzien van de verzoeken onder 1, 9 en 10 de voormalige echtelijke woning en de overwaarde
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.2aan met een weergave van de relevante overwegingen. De man klaagt vervolgens
onder 2.3op goede grond dat ’s hofs oordeel ofwel berust op een onjuiste rechtsopvatting, ofwel onbegrijpelijk is.
“Als hoofdregel heeft daarom te gelden dat zij beiden, ieder voor de helft, gehouden zijn het geleende bedrag terug te betalen.”). Voor de bedoelde lezing pleit voorts dat, als de betrokken hypothecaire geldlening
niettot de beperkte gemeenschap zou moeten worden gerekend, zij, gelet op het tussen partijen geldende huwelijksgoederenregime, buiten iedere gemeenschap zou vallen en rechterlijke verdeling en toerekening daarvan in het geheel niet aan de orde zouden zijn.
samenaangegaan en de vrouw was (in beginsel voor de helft)
medegerechtigd tot de van de bank geleende gelden. Dat de man het volledige bedrag, met inbegrip van het aandeel daarin van de vrouw, vervolgens aan zijn broer heeft geleend, betekent niet dat de vrouw het recht op haar aandeel zou hebben verloren. Zelfs als juist is dat slechts de man een rechtsvordering jegens de erven van zijn broer toekomt (en dus niet mede namens de vrouw heeft gehandeld), zou zulks niet uitsluiten dat de vrouw jegens de man aanspraak kan maken op “haar” aandeel in de aan de man betaalde en te betalen rente en aflossingen. Dit een en ander geldt te meer, nu de man heeft gesteld en de vrouw niet heeft betwist dat partijen de hypothecaire geldlening, juist met het oog op het verstrekken van een geldlening aan de broer van de man, gezamenlijk zijn aangegaan [10] . In die stelling ligt, zoals de man in de cassatiedagvaarding onder 2.3 stelt, besloten dat de vrouw zowel van de hypothecaire geldlening als van de aanwending daarvan voor het verstrekken van een geldlening aan de broer van de man op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd. Bij die stand van zaken valt niet in te zien waarom redelijkheid en billijkheid zouden vorderen dat het risico dat de rente en de hoofdsom niet uit de nalatenschap van de broer van de man kunnen worden voldaan, uitsluitend bij de man zou moeten worden gelegd. Bij dit alles teken ik voor de goede orde nog aan dat, voor zover uit rov. 5.3.1 (waarin het hof heeft overwogen dat de man heeft gesteld dat de vrouw wist van de lening en ook heeft meegetekend en dat de schuld daarom gemeenschappelijk is) volgt dat het hof de stellingen van de man beperkter heeft opgevat, en wel in die zin dat die stellingen
nietmede inhouden dat de vrouw met de aanwending van de hypothecaire geldlening voor het verstrekken van een geldlening aan de broer van de man op de hoogte was en daarmee heeft ingestemd, ik dat in het licht van hetgeen in feitelijke aanleg is gesteld, eveneens onbegrijpelijk acht.
Onder 2.7betoogt het onderdeel met juistheid dat het slagen van de klachten van het onderdeel ook rov. 5.5 en het dictum vitiëren voor zover daarin op de rov. 5.3.1 en 5.3.3 wordt voortgebouwd.
onder 2.4berust op de veronderstelling dat het hof zou hebben beoogd toepassing te geven aan de
tenzij-bepaling van art. 1:100 lid 1 BW Pro. Zoals hiervóór (onder 3.2) reeds aan de orde kwam, ontbreekt iedere aanwijzing dat het hof de tenzij-bepaling van art. 1:100 lid 1 BW Pro op het oog heeft gehad. Dat laatste zou in het licht van het partijdebat ook onbegrijpelijk zijn. Dat debat heeft zich toegespitst op de vraag of de relevante hypothecaire geldleningen al dan niet voor rekening komen van de beperkte gemeenschap tussen partijen, waarbij de toepasselijkheid van art. 1:100 lid 1 BW Pro op de beperkte gemeenschap is voorondersteld [11] . De klacht
onder 2.5berust op de veronderstelling dat het hof zou hebben aangenomen dat de relevante hypothecaire geldlening niet in de beperkte gemeenschap tussen partijen valt. Zou dat laatste het geval zijn, dan zou, zoals hiervóór (onder 3.2) eveneens reeds aan de orde kwam, de lening buiten iedere gemeenschap vallen en zou rechterlijke verdeling en toedeling in het geheel niet aan de orde zijn. Ten overvloede merk ik daarbij nog op dat ook dit veronderstelde oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zou zijn, zowel in het licht van het partijdebat [12] als in het licht van art. 1.1 van de akte huwelijkse voorwaarden [13] . De klacht
onder 2.6ten slotte berust op de naar mijn mening onjuiste veronderstelling dat het hof in het midden heeft gelaten of de hypothecaire geldlening voor rekening komt van de beperkte gemeenschap tussen partijen, dan wel onderdeel vormt van het (de) privévermogen(s) van (één der) partijen. Zou het hof zulks in het midden hebben gelaten, dan zou ’s hofs oordeel onbegrijpelijk zijn, omdat - zoals het onderdeel met juistheid betoogt - het huwelijksgoederenregime van partijen tot het maken van een keuze noopt: ofwel er is sprake van een aan de beperkte gemeenschap toe te rekenen schuld, ofwel van een tot het (de) privévermogen(s) van (één der) partij(en) behorende schuld.
onder 2.8wordt gesteld, voorgesteld onder de voorwaarde dat het hof de in cassatie bestreden beschikking niet verbetert in de door de man bij brief van 14 juli 2016 verzochte zin. Bij herstelbeschikking van 6 oktober 2016 is voornoemd verzoek afgewezen. Daarmee is de voorwaarde waaronder het middelonderdeel is voorgesteld, vervuld. Zoals hiervóór (onder 3.1) al aan de orde kwam, ziet het onderdeel, dat is gericht tegen de rov. 5.6.2 en 5.7 alsmede het dictum, op ’s hofs oordeel aangaande de kapitaalverzekering bij Reaal.
Onder 2.9wordt rov. 5.6.2 geciteerd.
Onder 2.10e.v. klaagt de man terecht dat ’s hofs oordeel dat van een afkoopwaarde per peildatum van € 66.899,- moet worden uitgegaan, in het licht van het partijdebat onbegrijpelijk is.
productie 5) bedroeg de waarde van de verzekering per 1 juni 2012 € 68.325,- [16] . De man heeft inmiddels een verzoek gedaan aan Reaal om de polis af te kopen. Zoals blijkt uit de brief van 2 juli 2015 van Reaal (
productie 6) bedraagt de premie vrije waarde van de polis thans (3 jaar later) € 76.235,-- maar de afkoopwaarde € 66.899,--. De afkoopwaarde bedraagt derhalve 87% van de premie vrije waarde.
productie 7) = € 4.151,--
onder 2.13, die berust op de veronderstelling dat het hof heeft gemeend dat de peildatum in casu
nietop 4 februari 2012 dient te worden gesteld, feitelijke grondslag. Het hof heeft verder het primaire en subsidiaire verweer van de vrouw verworpen, waar het heeft overwogen dat dient te worden uitgegaan van de afkoopwaarde per peildatum. Het hof heeft partijen niet in hun berekening van de afkoopwaarde per 1 juni 2012 gevolgd, maar is uitgegaan van de in de brief van Reaal van 2 juli 2015 (productie 6 bij het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel) vermelde afkoopwaarde van € 66.899,-. In de beslissing op het verzoek op grond van art. 31 Rv Pro heeft het hof die keuze gemotiveerd met de overweging dat de man de afkoop van de verzekering inmiddels voor een bedrag van € 66.899,- had gerealiseerd. In dat licht acht ik de bestreden beslissing inderdaad onbegrijpelijk, niet alleen omdat het hof daarmee is afgeweken van de tussen partijen niet in geschil zijnde afkoopwaarde per 1 juni 2012 (de dichtst bij 4 februari 2012 gelegen datum waarop een premievrije waarde c.q. een afkoopwaarde van de polis bekend was), maar ook omdat de afkoopwaarde op de in elk geval na 2 juli 2015 gelegen datum waarop de man de afkoop van de verzekering daadwerkelijk heeft gerealiseerd, onmogelijk met de afkoopwaarde per peildatum 4 februari 2012 kan overeenstemmen, althans méér van die afkoopwaarde zal verschillen dan de tussen partijen niet in geschil zijnde afkoopwaarde per 1 juni 2012 [17] .
Onder 2.14stelt de man met juistheid dat het slagen van de klacht ook rov. 5.7 en het dictum van ’s hofs beschikking, voor zover daarin op rov. 5.6.2 wordt voortgebouwd, vitiëert.