Conclusie
eerste middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van de wetenschap dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn: dat verdachte wist van de criminele herkomst van de gelden die op de derdenrekening werden gestort, berust op een overtuiging die vooral tot uitdrukking komt in onderstrepingen, retorische vragen en aannames, maar bewijs is er niet.
tweede middelbevat met een beroep op HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3168 de klacht dat het laten storten van geldbedragen nog geen handeling is waarmee aard en herkomst kunnen worden verborgen of verhuld.
14.Zowel het eerste als het tweede middeltreffen geen doel.
derde middelbevat de klacht dat het hof het tweede feit heeft bewezenverklaard, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte wist dat de gift strekte tot een met zijn ambtsplicht strijdige tegenprestatie (art. 363 Sr Pro).
19.Het derde middelfaalt.
vierde middelklaagt over het ontbreken van motivering van de in het oordeel van het hof besloten liggende beslissing die inhoudt dat het openbaar ministerie kan worden ontvangen in het hoger beroep voor zover het feit 4 betreft. [12]
vijfde middelklaagt over de motivering van de onder 3 bewezenverklaarde opzet op de valsheid.
30.Het vierde en vijfdemiddel treffen geen doel.
zesde middellijkt mij vooral een opmaat en klaagt over de geldigheid van de dagvaarding omdat - in mijn woorden en samengevat - de in de tenlastelegging gebezigde term ‘ongebruikelijke transactie’ louter kwalificatief is.
zevende middelklaagt over de motivering van het onder 4 bewezenverklaarde feit.
achtste middelklaagt over een onjuiste kwalificatiebeslissing, omdat het bewezenverklaarde niet inhoudt dat verdachte in de bewuste periode op enig moment bekend is geworden met het ongebruikelijke karakter van de transactie.
negende middelklaagt over de bewezenverklaring van het opzet in het vierde feit.
51.De middelen zes, zeven, acht en negenzijn tevergeefs voorgesteld.
tiende middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou de wetenschap van verdachte van het oogmerk van de criminele organisatie niet zijn af te leiden.
56.Het tiende middelfaalt.
Strafmotivering (middelen 11, 12 en 13)
elfde middelklaagt over schending van onder meer art. 6 EVRM Pro, omdat het hof ervan uit is gegaan dat de redelijke termijn pas is aangevangen op de dag waarop de inleidende dagvaarding is betekend, te weten 9 november 2012, en niet op de dag waarop de doorzoeking van het kantoor van verzoeker plaatsvond, te weten op 29 en 30 mei 2008.
twaalfde en dertiendemiddel betreffen, als gezegd, de motivering van de straf.