Conclusie
1.Inleiding
Dexia/ [verweerder]) en de zaak met nummer 14/04914 (hierna:
[betrokkene 1] /Dexia), waarin het gerechtshof ’s-Hertogenbosch vrijwel gelijkluidende arresten heeft gewezen. In beide zaken zijn de effectenleaseovereenkomsten, zoals overigens ook in vele andere gevallen, niet rechtstreeks met Dexia gesloten doch door tussenkomst van een cliëntenremisier. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag of de omstandigheid dat een cliëntenremisier zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt bij Dexia doch tevens beleggingsadvies heeft gegeven, in de relatie met Dexia leidt tot een andere schadeverdeling op de voet van art. 6:101 BW Pro dan geldt volgens de ‘vaste’ jurisprudentie inzake effectenleasezaken (in deze zaken ook het ‘hof-model’ genoemd).
[betrokkene 1] /Dexia. Zij stelt dat beide zaken proefprocedures betreffen met als inzet of afnemers van effectenleaseproducten die door tussenkomst van een tussenpersoon met Dexia in contact zijn gekomen, een (veel) hogere schadevergoeding kunnen krijgen dan afnemers die zich rechtstreeks tot Dexia hebben gewend. Zij doet een beroep op uw Raad om geen gelegenheid te bieden om in de betrokkenheid van een tussenpersoon of enige andere omstandigheid aanleiding te vinden om de buitengerechtelijke afwikkeling van de nog niet afgewikkelde effectenleaseovereenkomsten nog langer “op te houden”. Het honoreren van het standpunt van de afnemers zou, zo betoogt Dexia, leiden tot een onaanvaardbare ongelijke behandeling van gevallen die niet materieel van elkaar verschillen.
[...] /Dexiaheeft benadrukt dat bij de beoordeling van geschillen omtrent effectenleaseproducten uiteindelijk in individuele zaken niet in onbeperkte mate kan worden geabstraheerd van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van het desbetreffende product, de wijze waarop dit is aangeboden en de persoonlijke omstandigheden van de afnemer van het product. Zij betogen dat de omstandigheid dat het product is aangeboden door tussenkomst van een remisier die tevens als adviseur is opgetreden, wel degelijk aanleiding is om af te wijken van het ‘hof-model’, zoals ook het hof ’s-Hertogenbosch in de onderhavige zaken heeft geoordeeld.
[betrokkene 1] /Dexiaheeft de belegger [betrokkene 1] in zijn principale cassatieberoep onder meer nog betoogd dat ingeval in rechte komt vast te staan dat hij door Spaar Select is geadviseerd en Dexia zulks wist, althans behoorde te weten, de schadeverdeling op de voet van art. 6:101 BW Pro ertoe leidt dat alle nadelige gevolgen (de betaalde inleg en de restschuld) geheel voor rekening van Dexia moeten blijven en niet ‘slechts’ 80% zoals het hof oordeelde. In deze zaak wordt verder nog opgekomen tegen het oordeel van het hof dat Dexia niet op de voet van art. 6:76 BW Pro (aansprakelijkheid voor hulppersonen) aansprakelijk kan worden gesteld voor het optreden van Spaar Select ingeval deze als financieel adviseur is opgetreden. Tevens komt in deze zaak aan de orde of aan de onderhavige effectenleaseproducten zodanige beleggingstechnische gebreken en intrinsieke risico’s kleefden dat Dexia ook daarvoor indringend had behoren te waarschuwen en dat, nu Dexia dat niet heeft gedaan, alle nadelige gevolgen voor rekening van Dexia dienen te blijven bij de verdeling van de schade op de voet van art. 6:101 BW Pro.
Dexia/ [verweerder]en de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer (hierna ook: NR 1999) in de zaak
[betrokkene 1] /Dexia.
[...] /Dexia), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2811, NJ 2012/183 (
Levob/ [...]) en HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2822, NJ 2012/184 m.nt. J.B.M. Vranken (
Stichting GeSp/Aegon). Verder gaat het om de arresten van 29 april 2011, te weten HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012, NJ 2013/40 (
[...] /Dexia) en HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003, NJ 2013/41 m.nt. J.B.M. Vranken (
[...] /Dexia).
[...] /Dexia, rov. 4.11.5). Zie ook mijn conclusie voor
[...] /Dexia(onder 3.21), waar ik in dat verband het volgende aanvoerde. De publiekrechtelijke toezichtregelgeving strekt ertoe om met betrekking tot de werkzaamheden van de effectenbemiddelaar (en/of kredietverlener) een zorgvuldige, deskundige en integere handelwijze te waarborgen en bevat met het oog daarop nadere regels aan de hand waarvan de toezichthouder de genoemde doelstellingen kan bevorderen. De eisen van de redelijkheid en billijkheid alsmede de eisen die aan een goed opdrachtnemer gesteld mogen worden, zijn toegesneden op het concrete geval en kunnen meebrengen dat een financiële dienstverlener gehouden is tot een verdergaande zorgplicht dan voortvloeit uit de dan nog geldende publiekrechtelijke regelgeving, reeds omdat de publiekrechtelijke zorgplicht de privaatrechtelijke zorgplicht wel beïnvloedt, maar niet bepaalt. Schending van publiekrechtelijke gedragsregels kan overigens op haar beurt leiden tot aansprakelijkheid op de voet van art. 6:162 BW Pro.
[...] /Dexia):
[...] /Dexiaheeft uw Raad overwogen dat een 40%-60% verdeling in geschillen met betrekking tot effectenlease-overeenkomsten tot uitgangspunt genomen zou kunnen worden, zodat de verplichting tot schadevergoeding zich uitstrekt tot (is beperkt tot) 60% van de restschuld ingeval geen sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last en tot 60 % van de restschuld plus 60% van de betaalde rente- en aflossingstermijnen (en kosten minus dividenduitkeringen) indien wel sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last.
Dexia/ [verweerder]en
[betrokkene 1] /Dexia, zo invullen dat op grond van het bepaalde in artikel 6:101 BW Pro de nadelige gevolgen voor 20% voor rekening van de afnemer dienen te blijven en dat de verplichting van de aanbieder van het effectenleaseproduct tot schadevergoeding 80% van de nadelige gevolgen bedraagt. Zie Rechtbank Noord-Nederland 9 september 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:4381 en Rechtbank Gelderland 25 maart 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:3658.
[betrokkene 1] /Dexiaen in vele andere gevallen, gesloten door tussenkomst van een cliëntenremisier, in casu Spaar Select. Het hof heeft in de onderhavige zaak en in de zaak
[betrokkene 1] /Dexia, zoals hiervoor aangegeven, geoordeeld dat de destijds geldende publiekrechtelijke regelgeving meebracht dat een cliëntenremisier over een vergunning diende te beschikken indien hij zich niet beperkte tot het aanbrengen van cliënten bij effecteninstellingen als Dexia doch tevens deze cliënt adviseerde en voorts dat niet alleen onder vigeur van de NR 1999 doch tevens onder vigeur van de NR 1995 gold dat het voor effecteninstellingen als Dexia was verboden cliënten te accepteren van cliëntenremisiers die niet over de vereiste vergunning beschikten. Het hof heeft geoordeeld dat overtreding van deze publiekrechtelijke norm die mede strekt ter bescherming van beleggers, impliceert dat de effecteninstelling onrechtmatig jegens de betrokken belegger heeft gehandeld.
Investment Services Directive(ISD)). Wat de terminologie betreft is in de Wte 1995 overigens overwegend vastgehouden aan de begrippen uit de Wte 1992. Zo handhaafde de wetgever ook het begrip ‘effectenbemiddelaar’. Met de Wte 1995 werd de rol van de toezichthouder vergroot. De Wte 1995 is nog meerdere malen aangepast aan Europese richtlijnen en (overige) actuele ontwikkelingen op het terrein van het financiële recht, waaronder uitspraken van de Hoge Raad. Zie ook mijn ambtgenoot Timmerman in zijn conclusie voor het arrest van uw Raad van 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4023, NJ 2012/361, m.nt. G. van Solinge (
Befra/Rabobank), onder 4.
[betrokkene 1] /Dexia, de Wte 1995 van toepassing.
Befra/Rabobank.)
effectentransactiesof beheeractiviteiten betreffen.
www.afm.nl/~/media/files/publicatie/inzicht/inzicht_nr1.ashx,is te lezen:
Safe Havenvan het Gerechtshof Amsterdam van 19 februari 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AO8048, JOR 2004/110, m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol.
Safe Havenarrest gewezen op het ingestelde principale en incidentele cassatieberoep. Uw Raad heeft alleen een klacht in het incidentele beroep tegen de proceskostenveroordeling gehonoreerd en de overige cassatieklachten verworpen. Zie HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713, NJ 2006/289 m.nt. M.R. Mok (
Safe Haven).
Stichting Gedupeerde Beleggers v.d.B.).
derden/gedupeerde beleggersaansprakelijk kan worden gehouden uit onrechtmatige daad ingeval haar rekeninghouder ‘via de bij de bank aangehouden bankrekening’ zonder vergunning beleggingsactiviteiten is gaan ontplooien.
Safe Havenging het om het geval dat de Bank wist van de beleggingsactiviteiten op de rekening van haar rekeninghouder en zich realiseerde dat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaats vonden. Gelet op de bijzondere zorgplicht die de maatschappelijke functie van de Bank meebrengt ten opzichte van
derdenmet wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, had de Bank – aldus uw Raad – vanaf het moment waarop zij zich realiseerde dat mogelijk in strijd met de Wte werd gehandeld zich daaromtrent zekerheid moeten verschaffen, welke zekerheid zij zich door onderzoek had kunnen verschaffen. De Bank heeft jegens de derden/beleggers onzorgvuldig gehandeld door dat niet te doen.
Safe Havenen voor een uitvoerige nadere analyse verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Wissink voor het arrest
Stichting gedupeerde beleggers v.d.B.waarin Wissink ook ingaat op de regelgeving en aanbevelingen tot (onder meer) monitoring door banken van betalingsverkeer met het oog op bepaalde risico’s.
Stichting gedupeerde beleggers v.d.B.was aan de orde de – mede naar aanleiding van het arrest
Safe Havengerezen – vraag of op de Bank ook een onderzoeksplicht rust ingeval zij zich
had behorente realiseren dat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaats vonden. Het gerechtshof Den Haag heeft in zijn arrest van 18 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:996, JOR 2014/136 m.nt. C.W.M. Lieverse en M.H.C. Sinnighe Damsté, geoordeeld – zo analyseert mijn ambtgenoot Wissink het arrest van het hof in zijn conclusie voor het arrest van uw Raad – dat a) als de Bank weet van het ongebruikelijke betalingsverkeer en de bijbehorende omschrijvingen en daarmee van de beleggingsactiviteiten van haar rekeninghouder v.d. B., b) de Bank zich had behoren te realiseren dat v.d. B. mogelijk in strijd met de Wte handelde door zonder vergunning beleggingsactiviteiten te verrichten en c) de bank onderzoek had behoren te doen of een vergunning op grond van de Wte en/of Wtk vereist was. Mijn ambtgenoot Wissink heeft aangegeven dat ook het hof ervan is uitgegaan dat de Bank pas onderzoek behoefde te doen als zij weet dat er beleggingsactiviteiten op de rekening plaatsvinden. In dat geval kan de Bank zich volgens het hof niet erop beroepen dat zij zich het gevaar niet heeft gerealiseerd omdat zij zich dat gevaar in die omstandigheden behoorde te realiseren. Wissink acht die maatstaf aanvaardbaar. Hij geeft daarbij aan dat ‘wetenschap’ bij de bank vanzelfsprekend is geobjectiveerd en mede is gebaseerd op oordelen over welke kennis van welke medewerkers aan de bank kan worden toegerekend.
Mees Pierson/Ten Bos).
bewust moet zijn geweest van het daaraan verbonden ‘gevaar’, te weten dat er mogelijk in strijd met de wet beleggingsactiviteiten plaatsvonden. Gelet op de bijzondere zorgplicht die de maatschappelijke functie van de Bank meebrengt ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, had de Bank – aldus uw Raad – vanaf het moment waarop zij zich realiseerde dat mogelijk in strijd met de Wte werd gehandeld zich daaromtrent zekerheid moeten verschaffen, welke zekerheid zij zich door onderzoek had kunnen verschaffen. De Bank heeft jegens de derden/beleggers onzorgvuldig gehandeld door dat niet te doen.
Mees Pierson/Ten Bos) kan worden afgeleid dat op de effecteninstelling onder omstandigheden ook een waarschuwingsplicht rust.
[...] /NBG Finance)). Uw Raad overwoog dat in gevallen van aansprakelijkheid van een financieel adviseur niet zomaar kan worden aangesloten bij de schadeverdeling zoals die in
[...]/Dexiais voorgesteld. Er wordt immers niet opgetreden als aanbieder van een effectenleaseproduct, maar als financieel dienstverlener die door de afnemer werd benaderd voor een op hun specifieke situatie toegesneden advies. In een zodanige situatie rust op de dienstverlener een bijzondere zorgplicht, die onder meer behelst dat de dienstverlener naar behoren onderzoek doet naar de financiële mogelijkheden, deskundigheid en doelstellingen van de cliënt en dat hij hem dient te waarschuwen voor eventuele risico's die aan een voorgenomen of toegepaste beleggingsvorm zijn verbonden, alsook voor het feit dat een door de cliënt beoogde of toegepaste constructie niet past bij zijn financiële mogelijkheden of doelstellingen, zijn risicobereidheid of zijn deskundigheid. Deze plicht strekt mede ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. De dienstverlener heeft hierbij te gelden als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, terwijl bij de cliënt doorgaans een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreken. Dit brengt mee dat de cliënt in beginsel ervan mag uitgaan dat de dienstverlener die zorgplicht jegens hem naleeft. Hieruit volgt dat de cliënt bij een door die dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel eigener beweging behoeft te verdiepen in niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct als bedoeld in het arrest
[...]/Dexia. Dit is ook van belang bij de causaliteitsafweging op de voet van art. 6:101 BW Pro. Aldus uw Raad.
[...]/NBG Financehet verschil tussen een aanbieder van een effectenleaseproduct en de financieel adviseur die advies geeft ten aanzien van een effectenleaseproduct, als volgt weer. In het eerste geval gaat het om het aanbieden van een ‘kant-en-klaar product’. Het pakket is niet op maat gemaakt voor de specifieke klant. De bijzondere zorgplicht die op de aanbieder van zo’n product rust is een nevenverplichting. Het gaat zogezegd om een randje advies bij de aanschaf. Daarentegen gaat het in het tweede geval om een financieel adviseur op basis van wiens advies een effectenleaseproduct is aangeschaft. Zo’n advies moet per definitie op de concrete klant worden toegesneden. De adviseur wordt ingeschakeld omdat hij deskundig is, en de klant behoort in die relatie op zijn adviseur te mogen vertrouwen. Tjong Tjin Tai acht het enigszins verwarrend dat de Hoge Raad ook in deze gevallen spreekt van een bijzondere zorgplicht. Indien het advies fout is, is er immers voldoende grond voor een beroep op wanprestatie en is een beroep op een bijzondere zorgplicht niet nodig.
[...]/NBG Financeis in latere rechtspraak voortgebouwd. Daar is wel geoordeeld dat in een niet-standaard effectenleaserelatie de eigen schuld van benadeelden 20% bedraagt. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:9846, rov. 3.24, waarin het ging om de aansprakelijkheid van een assurantietussenpersoon die buiten zijn bevoegdheid heeft gehandeld door als beleggingsadviseur op te treden.
4.Het onderhavige geding; de feiten en het verloop van het geding
De feiten
€ 2.917,76 alsmede een bedrag van € 2.949,55, zijnde een derde van de op de eindafrekeningen met betrekking tot de twee leaseovereenkomsten vermelde schuld, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. Dexia heeft daarbij erkend dat zij jegens [verweerder] is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht maar heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van een onaanvaardbare zware financiële last voor [verweerder]. Naar aanleiding van het verweer van [verweerder] is Dexia tot de slotsom gekomen dat de twee leaseovereenkomsten kennelijk een onaanvaardbare zware financiële last op [verweerder] legden en dat zij derhalve verplicht is om aan [verweerder] naast twee derde deel van de restschuld tevens twee derde deel van de door [verweerder] betaalde termijnen te vergoeden, zodat zij aan [verweerder] ter zake van de leaseovereenkomsten per saldo een bedrag van € 5.703,37 respectievelijk een bedrag van € 5.607,99 verschuldigd is, derhalve in totaal € 11.311,36, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2005 (de datum waarop de leaseovereenkomsten beëindigd zijn). Dexia heeft zich daarbij gebaseerd op de vaste jurisprudentie (door Dexia ‘het hof-model’ genoemd) inzake de aansprakelijkheid van de aanbieder van effectenleaseproducten jegens beleggers en de in die jurisprudentie als uitgangspunt genomen verdeling van de door de beleggers geleden schade op de voet van art. 6:101 BW Pro.
“In het wetsvoorstel zijn geen beperkingen gesteld ten aanzien van de door effecteninstellingen te verrichten werkzaamheden die buiten de reikwijdte van de in het wetsvoorstel neergelegde verbodsbepalingen vallen. Derhalve mogen ook de in deel C van de bijlage genoemde werkzaamheden, onverlet overige toepasselijke regelgeving, zonder aanvullende voorwaarden worden verricht.
“Natuurlijke personen en rechtspersonen die als effectenbemiddelaar cliënten aanbrengen bij een beleggingsinstelling of bij een effecteninstelling die een vergunning heeft of waarop een vrijstelling van toepassing is (), worden voor het aanbieden of verrichten van die diensten vrijgesteld van de vergunningplicht. Reden hiervoor is dat gezien de aard van de dienstverlening, de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de verrichte effectendiensten ligt bij de instelling waarbij de betrokken cliënt is aangebracht. Aangezien het hierbij gaat om instellingen die reeds aan toezicht zijn onderworpen dan wel zijn vrijgesteld, kan de vergunningplicht voor de betrokken remisiers achterwege blijven.”
5.Het cassatiemiddel
nadatde cliënt bij de effecteninstelling was aangebracht.
[...]/Dexia, rov. 4.11.5) en naar mijn conclusie voor
[...]/Dexia(onder 3.21) waar ik in dat verband het volgende aanvoerde. De publiekrechtelijke toezichtregelgeving strekt ertoe om met betrekking tot de werkzaamheden van de effectenbemiddelaar (en/of kredietverlener) een zorgvuldige, deskundige en integere handelwijze te waarborgen en bevat met het oog daarop nadere regels aan de hand waarvan de toezichthouder de genoemde doelstellingen kan bevorderen. De eisen van de redelijkheid en billijkheid alsmede de eisen die aan een goed opdrachtnemer gesteld mogen worden, zijn toegesneden op het concrete geval en kunnen meebrengen dat een financiële dienstverlener gehouden is tot een verdergaande zorgplicht dan voortvloeit uit de dan nog geldende publiekrechtelijke regelgeving, reeds omdat de publiekrechtelijke zorgplicht de privaatrechtelijke zorgplicht wel beïnvloedt, maar niet bepaalt.
Bosman/mr. G) waarin het ging om het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro en in dat kader om de vraag of uw rechtspraak dat deze termijn pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen, inhoudt dat de benadeelde ook daadwerkelijk bekend moet zijn met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Uw Raad beantwoordde deze vraag ontkennend en overwoog daartoe onder meer als volgt: “Het stellen van die eis zou niet in overeenstemming zijn met het voor een behoorlijk verloop van het rechtsverkeer te aanvaarden uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling in het algemeen niet kan worden aanvaard, en zou tot rechtsongelijkheid aanleiding geven waar juridische kennis niet in gelijke mate bij een ieder aanwezig is.” Zie ook M.A. Loth en T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Wat niet weet, dat niet deert?, Preadviezen 2014 voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, p. 353-395.
de billijkheideen andere schadeverdeling eist dan waartoe het hof was gekomen op grond van de causaliteitsafweging op de voet van art. 6:101 BW Pro. In die zaak was niet aan de orde of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is ingeval zij de betrokken belegger als cliënt heeft geaccepteerd hoewel de cliëntenremisier tevens als beleggingsadviseur was opgetreden en Dexia dit wist of behoorde te weten.
in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Naar mijn oordeel kan niet worden volgehouden dat de in de onderhavige zaak aan Dexia verweten onrechtmatige gedraging – het accepteren van [verweerder] als cliënt terwijl zij wist of behoorde te weten dat de door Dexia aangestelde cliëntenremisier Spaar Select [verweerder] had geadviseerd – niet een aan Dexia toe te rekenen omstandigheid is die tot de schade heeft bijgedragen in de zin van art. 6:101 BW Pro naast de aan Dexia toe te rekenen schending van haar bijzondere zorgplicht. Het is dan de vraag hoe die verdeling in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen (de causaliteitsafweging), moet geschieden. Daarbij geldt dat de afweging van de wederzijdse ‘schuld’ (de causaliteitsmaatstaf) wordt beschouwd als een beslissing die toekomt aan de feitenrechter omdat zij veelal slechts op intuïtief inzicht kan berusten en daaraan derhalve slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld.