Conclusie
eerste middelklaagt dat het oordeel van het hof dat aan het klachtvereiste zoals vervat in art. 164, eerste lid, Sv is voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onbegrijpelijk is.
12.Het eerste middelfaalt.
tweede middelklaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in verband met het tijdsverloop, een gebrek aan voortvarendheid aan de zijde van het openbaar ministerie en strijd met beginselen van een behoorlijke en goede procesorde ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.
tweede middelfaalt, omdat het hof gelet op de wijze waarop het verweer in feitelijke aanleg is ingekleed, niet was gehouden aan de ‘belangrijke aspecten’ in het kader van de verwerping van het beroep op niet-ontvankelijkheid aandacht te besteden.
derde middelklaagt dat het hof een te ruime uitleg heeft gegeven aan het in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen delictsbestanddeel “met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven”, zodat het oordeel van het hof dat daaraan in voldaan blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
dat zij in de periode 1 maart 2009 tot en met 4 maart 2010 te Werkendam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk de eer en/of goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers hebben verdachte en haar mededader met voormeld doel aan diverse personen in Werkendam, te weten [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - zakelijk weergegeven - medegedeeld:
31.Het derde middel faalt.
vierde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden.