Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
aWet IB 1964 (thans artt. 3.26 t/m 3.28 Wet IB 2001) en het overgangsrecht bij invoering van art. 9
bWet IB 1964 (thans art. 3.29 Wet IB 2001) en van art. 8(6) Wet Vpb 1969 (vervat in de artt. 70a Wet IB 1964 en 31b en 31d Wet Vpb) leidde het Hof af dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat aan het einde van het eerste boekjaar een belaste vrijval zou plaatsvinden, maar dat hij juist wilde dat in gevallen zoals dat van de belanghebbende de passiefpost bevroren zou worden, nu hij dat in de genoemde vergelijkbare gevallen aldus geregeld heeft. Aan de jaarwinstregels ex art. 8(6) Wet Vpb 1969 en art. 3.29 Wet IB 2001 kan volgens het Hof geen andere systematische werking worden toegekend dan aan art. 9a Wet IB 1964 (thans artt. 3.26 t/m 3.28 Wet IB 2001), zodat ook voor deze bepalingen geldt dat zij slechts zien op mutaties van pensioenverplichtingen die zich in een bepaald jaar voordoen en de pensioenverplichtingen in de eindbalans van het eerste jaar van belastingplicht onaangetast laten. Uit de parlementaire geschiedenis van de Brede Herwaardering I, met name de nadere MvA die ingaat op het gebruik van verschillende rentepercentages in de openingsbalans en de eindbalans van het eerste jaar van de belastingplicht van directiepensioenlichamen, leidt het Hof voorts af dat de belanghebbende voor haar eindbalans hetzelfde rentepercentage kan hanteren als voor haar openingsbalans. De wetgever heeft volgens het Hof niet beoogd een incidenteel verlies of incidentele winst in aanmerking te nemen dat ontstaat door op verschillende waarderingsgrondslagen gebaseerde rentepercentages (marktrente versus een minimumrente van 4%). Het Hof heeft belanghebbendes hoger beroep gegrond verklaard.
comedy of errorsrond de toepassing van art. 9
aWet IB 1964 op de belastingplichtig wordende pensioenlichamen de reikwijdte van het toen niet bestaande en een andere kwestie regelende art. 9
bWet IB 1964 (thans 3.29 Wet IB 2001) zou kunnen bepalen. De parlementaire avonturen van een bepaling over jaardotaties (‘bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek’) kan mijns inziens niet het toepassingsgebied bepalen van een later ingevoerde andere bepaling die niet over kosten en lasten, maar over balanswaardering gaat. Het gegeven dat de wetgever, als art. 9
aWet IB 1964 wél een balanswaarderingsvoorschrift zou zijn geweest, kennelijk bij de invoering ervan overgangsrecht in de vorm van passiefpostbevriezing zou hebben getroffen, zegt mijns inziens niets over overgangsrecht bij de toepassing van art. 9
bWet IB 1964/art. 3.29 Wet IB 2001 en van art. 8(6) Wet Vpb, te meer niet nu die bepalingen
eigenovergangsrecht hebben, zodat mijns inziens slechts van belang is hoe dat eigen overgangsrecht luidt.
kunnenbeantwoorden. De wetgever kan mijns inziens niet bedoeld hebben pensioenvoorzieningslasten die vanuit de Nederlandse heffingsjurisdictie bezien überhaupt niet bestaan, naar later te schuiven. Anders dan in zaak 13/04121, waarin de pensioenvoorziening geheel ten laste van Nederlandse winst was opgebouwd en ook de overdrager reeds onder de Nederlandse onderwaarderings-voorschriften zuchtte, kan in zo’n geheel
niet-Nederlands geval zo’n alsdan
niet-bestaande verplichte onderwaardering ook niet doorgeschoven worden. In zo’n geval zou mijns inziens gecompartimenteerd moeten worden en zouden art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb slechts zien op de waardering van het deel van de pensioenvoorziening dat
binnende Nederlandse fiscale jurisdictie eventueel nog opgebouwd wordt. Belanghebbendes geval is echter geen geheel niet-Nederlands geval: ook in haar geval gaat het, net als in zaak 13/04121, kennelijk om een binnen de Nederlandse jurisdictie opgebouwde pensioen-voorziening onder het belaste directiepensioenlichaamsregime (1993), welke voorziening in 1994 door de belanghebbende is overgenomen, waarna zij voor het jaareinde is geëmigreerd.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
i.e.het verschil tussen de waarde in het economische verkeer (WEV) van de pensioenverplichting per 1 januari 2009 (€ 1.717.583) en de waarde van de pensioenverplichting per einde boekjaar (€ 1.341.766). Bij de berekening van de WEV per 1 januari 2009 is hij uitgegaan van de volgende grondslagen:
3.Het geding in cassatie
een op de openingsbalans gevormde voorziening (die niet muteert)ter zake van pensioenverplichtingen te laten vrijvallen.
4.De relevante bepalingen
Pensioenwaardering
Verplichte (her)waardering na zakelijkeovernamevan een pensioenverplichting: de aanhangige zaak nr 13/04121
6.Is immigratie anders dan binnenlandse overname?
comedy of errorsrond de toepassing van art. 9a Wet IB 1964 bij de invoering van de belastingplicht voor directiepensioenlichamen.
Parlementaire geschiedenis van de Brede herwaardering I, onderdeel belastingplicht directiepensioenlichamen (art. 5(b) Wet Vpb); onjuiste interpretatie van art. 9a Wet IB 1964 en herstel met terugwerkende kracht
3. Directiepensioenlichamen en lijfrentestichtingen
coming-backservicete voorkomen. [31] Dat is gebeurd bij Wet van 13 december 1996. [32] De Nota naar aanleiding van het verslag ter zake van het desbetreffende wetsvoorstel vermeldt: [33]
Het overgangsrecht bij de invoering van art. 9b Wet IB 1964 en art. 8(6) Wet Vpb
Leers(CDA): (…) Indien wordt besloten de methode van lineaire opbouw af te schaffen ter dekking van dit initiatiefvoorstel – (…) - dan lijkt het ons niet wenselijk, dit te doen met materieel terugwerkende kracht. Idealiter zou naar onze opvatting vanaf het jaar waarin de lineaire methode niet langer is toegestaan, de opbouw via de lineaire methode bevroren moeten worden en zou daaraan volgend, een verdere pensioenopbouw volgens de actuariële methode moeten plaatsvinden. Met andere woorden, je bevriest vanaf dat moment de lineaire methode en je gaat verder via de berekende actuariële methode. Ik hoor graag van de initiatiefnemers en van de staatssecretaris hoe zij hierover denken. Op die manier is straks heel helder waarover wij besluiten, zodat niet de situatie ontstaat dat de ondernemers die met een bepaalde pensioenopbouw zitten, niet weten waar zij aan toe zijn. Het zou ook gewenst zijn dat de staatssecretaris aangeeft dat vaststaat wat goed actuarieel gebruik is. Daarover kunnen dan geen misverstanden bestaan. Ik denk dat dit heel belangrijk is. (…)”
Vreugdenhil(CDA): (…) Ik heb geen principiële bezwaren tegen het bevriezen van de actuariële methode. Ik merk wel op dat het voordeel over een grote lengte van jaren wordt uitgesmeerd. Het houdt de zaak ingewikkeld. Je kunt het in een jaar of wat afbouwen. Er zit namelijk een redelijkheid in. Er is een omslagpunt rond de 55-jarige leeftijd. Boven 55 jaar wordt de actuariële methode voordeliger dan de lineaire. Als je dus een jaar of vijf wacht, komen velen in die leeftijd, zodat een afbouwpenode van drie à vijf jaar mij beter lijkt. Je blijft dan ook niet eeuwig met de problematiek zitten hoe dit dan moet gebeuren. Het houdt de zaak dus wat eenvoudiger.”
Van Amelsvoort: (…) Ik kom tot de belangrijke kwestie van de eerbiedigende werking als je de lineaire methode buiten gebruik stelt. In het wetsvoorstel is een ministeriële bevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de budgettaire opbrengst gefaseerd te realiseren. Dit maakt het ook mogelijk, de passieve posten een aantal jaren te bevriezen of langzamer te laten oplopen dan bij de lineaire methode het geval zou zijn. Wij hebben het overigens steeds over afschaffing, maar het gaat erom dat een andere methode toegepast wordt, waarbij ook een oplopen ontstaat. Er is geen sprake van terugwerkende kracht. Daarmee denk ik dat de zorgen van de kamerleden die zich hierover uitgelaten hebben, zijn weggenomen. (…)”
Van Rey(VVD): (…) Voorzitter! Als de lineaire methode van een voorziening moet worden omgezet in een actuele methode, heeft dat absoluut geen eerbiedigende werking. Daar hebben wij de grootst mogelijke bezwaren tegen.”
Leers(CDA): (…) Wij willen de lineaire pensioenopbouw accepteren, maar wij hebben erbij gezegd dat het inzetten van deze middelen gebonden moet worden aan een goede overgangsregeling. Daarover wil ik keiharde duidelijkheid hebben.”
Vreugdenhil(CDA): Voorzitter. Technisch lost de lineaire methode zichzelf op in de actuariële methode. Rondom de 55-jarige leeftijd zijn de methodes allebei gelijk. Ik ben het ermee eens dat de terugwerkende kracht dus eigenlijk niet aan de orde is. (…)”
H Gevolgen wijziging waarderingsstelsel pensioenverplichtingen ultimo 1994
H. Gevolgen wijziging waarderingsstelsel pensioenverplichtingen ultimo 1994
7.1. Reparatie waardering pensioenverplichtingen in eigen beheer
Artikel XI, onderdeel E (artikel 31d Wet op de vennootschapsbelasting 1969)
Artikel V, onderdeel I (artikel 31d)
9.Beoordeling van het middel
comedy of errorsrond de toepassing van art. 9
aWet IB 1964 op de belastingplichtig wordende pensioenlichamen de reikwijdte van het toen niet bestaande en een andere kwestie regelende art. 9
bWet IB 1964 zou kunnen bepalen. De parlementaire avonturen van een bepaling over jaardotaties kan mijns inziens niet het toepassingsgebied bepalen van een later ingevoerde andere bepaling die over balanswaardering gaat. Ik zie geen aanwijzingen dat art. 9b Wet IB 1964/art. 3.29 Wet IB 2001 of art. 8(6) Wet Vpb ‘systematisch’ slechts zou zien op mutaties in de loop van een belastingjaar, zoals art. 9
aWet IB 1964. Systematisch gaat het juist om verschillende soorten bepalingen. Art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb gaan over balanswaardering, terwijl art. 9a Wet IB 1964 (artt. 3.26 t/m 3.28 Wet IB 2001) gaat over kosten en lasten (‘bij het bepalen van de winst komen niet in aftrek’). Het gegeven dat de wetgever, als art. 9
aWet IB 1964 wél een balans-waarderingsvoorschrift zou zijn geweest, kennelijk overgangsrecht in de vorm van passiefpostbevriezing zou hebben getroffen bij de invoering van de belastingplicht van directiepensioenlichamen, zegt mijns inziens niets over het overgangsrecht bij de toepassing van art. 9
bWet IB 1964/art. 3.29 Wet IB 2001 en van art. 8(6) Wet Vpb, te meer niet nu die bepalingen
eigenovergangsrecht hebben, zodat mijns inziens slechts van belang is hoe dat eigen overgangsrecht bij die bepalingen luidt.
nietheeft voorkomen in gevallen zoals dat van de belanghebbende en zoals dat van de belanghebbende in de zaak nr. 13/04121. Of hij dat terecht niet heeft gedaan, is mijns inziens niet aan de rechter zolang de wetgever bij die met zijn eigen kennelijke uitgangspunt strijdige omissie geen rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal of EU-recht heeft geschonden.
alsde wetgever een vrijval (zonder concomitante verliesneming bij een overdrager) voorziet, hij kennelijk doorgaans - gezien de in 7.6 geciteerde toezegging en het in onderdeel 8 behandelde overgangsrecht - overgangsrecht vaststelt in de vorm van een passiefpostbevriezing. Ook in de langverwachte [59] notitie “Oplossingsrichtingen pensioen in eigen beheer” die de Staatssecretaris op 1 juli 2015 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden, [60] wordt bevriezing als methode van overgang naar een nieuw stelsel aangewezen. Als de wetgever belanghebbendes geval had voorzien, dan zou hij dus vermoedelijk eveneens voor passiefpostbevriezing hebben gezorgd. Hij heeft immigratie echter niet voorzien en er geen overgangsrecht voor getroffen. De Staatssecretaris heeft kennelijk ook geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule ex art. 63 AWR Pro.
kunnenbeantwoorden. De wetgever kan mijns inziens niet bedoeld hebben pensioenvoorzieningslasten die vanuit de Nederlandse heffingsjurisdictie bezien überhaupt niet bestaan, naar later te schuiven. Anders dan in zaak 13/04121, waarin de pensioenvoorziening geheel ten laste van Nederlandse winst was opgebouwd en ook de overdrager reeds onder de Nederlandse onderwaarderings-voorschriften zuchtte omdat zij altijd aan de Nederlandse heffingsjurisdictie was onderworpen, kan in zo’n geheel
niet-Nederlands geval zo’n alsdan
niet-bestaande verplichte onderwaardering ook niet doorgeschoven worden. Vrijval van een geheel in een andere jurisdictie en daarmee buiten bezwaar van ’s Rijks schatkist opgebouwde en bij immigratie geheel in overeenstemming met Nederlands recht op WEV gewaardeerde passiefpost zou een door niets gerechtvaardigde of verklaarde, onredelijke en willekeurige belastingheffing zijn die de wetgever niet kan hebben bedoeld. In zo’n geval zou mijns inziens gecompartimenteerd moeten worden en zouden art. 3.29 Wet IB 2001 en art. 8(6) Wet Vpb slechts zien op de waardering van het deel van de pensioenvoorziening dat
binnende Nederlandse fiscale jurisdictie eventueel nog opgebouwd wordt.
10.Kapitaalverkeer (en vestigingsverkeer) tussen Nederland en zijn eigen LGO
Prunus, [68] Franked Investment Income II [69] en
TBG. [70] In het laatste arrest, gewezen na prejudiciële vragen uwerzijds, [71] overweegt het HvJ EU dat de reikwijdte van art. 47(oud) LGO-Besluit (kapitaalverkeer) ‘bijzonder ruim’ is, en ‘nauw aansluit bij de draagwijdte’ van art. 63 VwEU Pro (kapitaalverkeer), waaruit lijkt te volgen dat het HvJ EU het kapitaalverkeer EU-LGO en het kapitaalverkeer EU-derde landen niet meer probeert gelijk te trekken door de LGO tot derde landen te bestempelen (het LGO-Besluit zegt nu eenmaal letterlijk dat zij dat
nietzijn), maar door art. 47(oud) LGO-Besluit hetzelfde te interpreteren voor de LGO als art. 63 VwEU Pro voor derde landen. Duidelijk is (uit het
TBG-arrest) dat art. 47 LGO Pro-Besluit geldt in de verhouding tussen een lidstaat en zijn
eigenLGO. Duidelijk lijkt voorts (uit het
Prunus-arrest) dat art. 63 VwEU Pro geldt in de verhouding tussen een lidstaat en de LGO van een
anderelidstaat (al lijkt het HvJ EU daarvan terug te komen in de zaak
TBG). Gezien het
TBG-arrest, lijkt het dat art. 63 VwEU Pro niet geldt in de verhouding tussen een lidstaat en zijn eigen LGO omdat daar exclusief (art. 47 van Pro) het LGO-Besluit geldt. Het
TBG-arrest lijkt ons voor te bereiden op een toekomstig arrest waarin geoordeeld zal worden dat art. 47 LGO Pro-Besluit een exclusieve
specialisis in de verhouding EU-LGO die dus art. 63 VwEU Pro opzij zet óók in verhouding tot andermans LGO, maar zulks zonder gevolg omdat art. 47 (thans 59) en art. 63 VwEU Pro geacht worden dezelfde inhoud te hebben (convergerende interpretatie). Of het met art. 45 (thans 51) LGO-Besluit (vestiging) ook gaat lukken om die bepaling hetzelfde te interpreteren als art. 49 VwEU Pro (vestiging), valt te betwijfelen, gezien de wel zeer uiteenlopende tekst en kennelijke strekking (slechts meestbegunstiging).
grandfather clausevan art. 57 EG Pro-Verdrag (thans art. 64 VwEU Pro [72] ) - die via de verwijzing in art. 47(2) (oud) LGO-Besluit ook in de verhouding EU-LGO geldt - eventuele door art. 3:29 Wet Pro IB 2001 of 8(6) Wet Vpb veroorzaakte fiscale immigratiebelemmeringen toestaat. Dat is echter niet het geval: beide bepalingen stammen van ná 31 december 1993; art. 3:29 Wet Pro IB 2001 van – oorspronkelijk – 1995 en art. 8(6) Wet Vpb van 2004.