Conclusie
1.Overzicht
hoe(door het hoorgesprek of door de tardieve aangifte) de Inspecteur ermee bekend werd dat de HIR in 2004 vrijviel.
nemo auditur-beginsel kan een justitiabele zich niet beroepen op eigen nalatigheid (in casu: vanaf 2003 structureel nalaten de vereiste aangifte te doen, waardoor de aanslag 2004 ambtshalve geregeld moest worden; blijkens HR BNB 1955/51 en HR 2014/244 kan de belanghebbende niet met vrucht betogen dat de Inspecteur ook had kunnen wachten) en volgens de
estoppel-regel kan hij zich niet beroepen op feiten en omstandigheden die in tegenspraak zijn met zijn eigen eerder ingenomen standpunt (in casu: dat de HIR vrijviel in 2004 en dat over dat jaar nagevorderd kon worden). Dat onderscheidt belanghebbendes geval van dat van de man van drie miljoen (HR BNB 2008/178), die zich wél kweet van zijn aangifteverplichtingen en zich niet beriep op nieuw-feitgebrek in tegenspraak met eigen eerdere standpunten en met een eigen voorstel tot navordering, en van het geval van de Groningse bouwleges (HR ECLI:NL:HR:2014:3442), waarin de heffingsambtenaar geheel op eigen initiatief had bedacht dat hij de te hoge aanslagen tot nihil ging verminderen en daarna nieuwe aanslagen zou gaan opleggen in plaats van de primitieve aanslagen te verminderen tot het juiste bedrag.
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
Hoede Inspecteur bekend is geraakt met de vrijval in 2004 (niet door een aangifte, maar tijdens het hoorgesprek) doet voor de toepassing van art. 16 AWR Pro niet ter zake. Evenmin is van belang dat bij het hoorgesprek geen bindende afspraak is gemaakt. Voor bekendheid met een feit is immers geen afspraak vereist. Het Hof stelt in wezen dat de vrijval in een aangifte 2004 moet zijn opgenomen of onderwerp van een bindende afspraak over 2004 moet zijn voordat sprake kan zijn van een ambtelijk verzuim; daarmee stelt het Hof strengere eisen aan een ambtelijk verzuim dan de wet toelaat.
Hoofdregel: geen navordering zonder nieuw feit; art. 16(1) AWR; ambtelijk verzuim
6.Navorderen zónder nieuw feit (1); art. 16(2) AWR
7.Navorderen zonder nieuw feit (2): de discrepantiejurisprudentie
A. Discrepantie tussen wil en daad
discrepantiejurisprudentie genoemd kan worden:
systeemverzuim: als een fout weliswaar kenbaar is voor de belastingplichtige, maar een gevolg is van een door de fiscus bewust gekozen werkwijze, dan is het risico van uit die gekozen werkwijze voortvloeiende fouten (systeemfouten; [33] in tegenstelling tot incidentele fouten die los staan van het gekozen systeem) voor rekening van de fiscus. Het gaat dan om een ambtelijk
systeemverzuim. U zie bijvoorbeeld HR BNB 2004/351 [34] (loon uit twee van de vijf aangegeven dienstbetrekkingen werd niet in de aanslag verwerkt als gevolg van de keuze van de fiscus voor een werkwijze waarbij geen acht werd geslagen op tussentellingen of op het aangegeven belastbare inkomen, en nadien slechts een beperkte controle plaatsvond), HR BNB 2005/173 [35] (aftrek van aanmerkelijk-belangverlies tegen tabeltarief als gevolg van het laten invoeren van gegevens uit de aangifte in het geautomatiseerde systeem door personen met onvoldoende vakkennis en zonder voldoende instructie) en HR BNB 2006/315, [36] in de casus waarvan ‘het systeem’ steeds maar beschikkingen ‘geen aanslag’ bleef versturen. U oordeelde dat uw boven (7.3) aangehaalde discrepantiejurisprudentie niet geldt in geval van:
8.(Overige) literatuur
9.Rechtsverwerking
Nemo auditur propriam turpitudinem allegans
nemo auditurbeginsel. [44]
nemo auditurbeginsel impliciet toepaste. U overwoog: [46]
nemo auditurgezien worden (niet gehonoreerd werd het standpunt van de belanghebbende dat de Inspecteur had moeten wachten op de door de laatste van hem opgevraagde gegevens die hij echter zelf ten onrechte verzuimde te verstrekken).
Ampafrance en Safoni [49] verwees het HvJ EU naar punt 83 van de conclusie van zijn A-G Cosmas, dat als volgt luidde:
nemo auditurbeginsel niet als zodanig, maar omschrijft het dus wel, zoals in
Courage/Crehan. Diverse van zijn A-G’s benoemen het beginsel wel als zodanig, zoals Cosmas in
Ampafrance, waarbij het HvJ EU hen volgt. [50]
11.Estoppel
estopped(uitgesloten) in de uitoefening van dat recht jegens de
representeedie op dat contraire gedrag vertrouwd en voortgebouwd heeft.
Lambertini v. Lambertini: [53] Olga en Frank Lambertini scheidden na meer dan 30 jaar (naar Mexicaans recht) getrouwd te zijn geweest, steeds samengeleefd te hebben (de tweede 15 jaar in de VS), gemene eigendom verworven te hebben en twee kinderen tot volwassenheid te hebben opgevoed. Frank verweerde zich tegen Olga’s aanspraken op woning en onderhoud met de stelling dat hun Mexicaanse huwelijk juridisch ongeldig was geweest. Hij slaagde in eerste instantie, maar in hoger beroep werd hem een beroep op ongeldigheid ontzegd omdat hij zich meer dan 30 jaar als geldig getrouwd had gedragen en beiden er al die tijd van uit waren gegaan dat zij juridisch geldig getrouwd waren. Pas toen Olga wilde scheiden, ontdekte Frank(s advocaat) juridische gebreken in het huwelijk en wilde hij zich daar – haaks op zijn daarmee onverenigbare gedrag tot dan toe – op beroepen.
estoppelook in
civil lawtradities zoals de Nederlandse gebruikt kan worden. Over de ratio van
estoppelschrijft hij: [54]
estoppel-regel in rechtspraak van het HvJ EU waar dat Hof zich baseert op het
nemo auditur-beginsel.
Nemo audituris volgens Ermers het aan
estoppelten grondslag liggende rechtsbeginsel. [55]
12.Wetsvoorstel vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst
13.Confrontatie met de vastgestelde feiten
alshij alsnog een HIR in 2000 zou toestaan, zoals de belanghebbende wenste en tijdens het hoorgesprek opnieuw voorstelde, die HIR in 2004 moest belasten, zoals de belanghebbende tijdens dat hoorgesprek eveneens aangaf.
standpunt, maar een
feit. Dat geen – al dan niet bindende – afspraken zijn gemaakt tijdens het hoorgesprek, is daarvoor van geen betekenis. Aan het
feitdat niet was geherinvesteerd, twijfelde immers geen van beide partijen. Het valt niet in te zien hoe over dat feit bindende afspraken gemaakt zouden kunnen worden. Het Hof heeft kennelijk de onduidelijkheid over de vraag welk juridisch
standpuntingenomen zou/moest worden (vrijval in 2004 of weigering reeds in 2000) verward met het vaststaande
feitvan niet-herinvestering.
i.e.de HIR in 2000 toestaan en pas in 2004 belast doen vrijvallen), ofwel de HIR in 2000 niet toestaan; vast staat ook dat dit de belanghebbende duidelijk was: dat volgt niet alleen uit r.o. 4.9 van de Hofuitspraak:
curs. PJW):
belanghebbende er destijds slechts van uit kon gaan dat dan het bezwaar over het jaar 2000 zou worden afgewezen.”
toegewezen, was het de belanghebbende(’s gemachtigde) dus meteen duidelijk dat dit berustte op een discrepantie tussen hetgeen de Inspecteur wilde en zijn ambtshalve aanslag 2004 óf zijn uitspraak 2000. Dat bleek haar overigens ook uit de uitspraak op het bezwaar 2000 zelf, die expliciet vermeldde dat het bezwaar was toegewezen omdat uit de alsnog gedane aangifte 2005 was gebleken dat de HIR in 2004 belast was vrijgevallen. Uit HR BNB 2003/345 (zie 7.3) volgt dat voor navordering niet vereist is dat de belanghebbende ook meteen kon zien in welke van de twee besluiten de fout was gemaakt (“…waarbij niet van belang is of tevens kenbaar was waarin de fout bestond …”), als maar ‘redelijkerwijs kenbaar’ was dat zich een ‘discrepantie’ voordeed. De vaststaande feiten lijken geen andere conclusie toe te laten dan dat zulks het geval was. Daarmee staat echter nog niet vast op welk jaar (2000 of 2004) de discrepantie ziet en over welk jaar dus nagevorderd zou moeten worden.
over 2004nagevorderd kan worden.
nemo auditur- beginsel en de boven (11.1 e.v.) genoemde
estoppelregel meebrengen dat een justitiabele zich niet kan beroepen op eigen nalatigheid (in casu: jarenlang nalaten de vereiste aangifte te doen, waardoor in elk geval de aanslagen 2004 en 2005 ambtshalve geregeld moesten worden; de belanghebbende kan blijkens HR BNB 1955/51 (zie 5.8) en HR BNB 2014/244 (zie 5.12) niet met vrucht betogen dat de fiscus langer had kunnen wachten met ambtshalve aanslaan), noch op feiten en omstandigheden die in tegenspraak zijn met zijn eigen eerdere standpunten waarop de andere partij heeft voortgebouwd (in casu: dat vrijval in 2004 belast moest worden én dat over dat jaar nagevorderd moest worden). Áls de telefoonnotitie het gevoerde gesprek correct weergeeft, dient daarom mijns inziens het hogere beroep van de Inspecteur gegrond verklaard te worden. Er is dan geen sprake van een ambtelijk verzuim. Op dit punt onderscheidt belanghebbendes geval zich alsdan wezenlijk van het geval van de man van drie miljoen (zie 7.13 hierboven), die zich juist wél ijverig had gekweten van zijn aangifteverplichtingen, zij het nogal digibetisch, en die zich niet beriep op het ontbreken van een nieuw feit in tegenspraak met eigen uitdrukkelijk in twee aangiften, een hoorgesprek en een telefoongesprek ingenomen standpunten. Alsdan onderscheidt belanghebbendes geval zich ook wezenlijk van dat van de gemeente Groningen (zie 7.4), waarin die gemeente niet door gedragingen van de belastingplichtige op het verkeerde navorderingsbeen was gezet, maar geheel ongevraagd zelf had bedacht dat zij de opgelegde aanslagen niet ging verlagen naar de juiste bedragen, maar naar nihil, om vervolgens nieuwe aanslagen op te leggen, die daarom niet geconverteerd bleken te kunnen worden in navorderingsaanslagen. Van zulk onjuist inzicht van de Inspecteur in het formele recht is in casu geen sprake.