ECLI:NL:HR:2001:AD5045

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36696
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt navorderingsaanslag wegens ambtelijk verzuim Inspecteur

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 150.000. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 1.884.423, welke na bezwaar werd gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat werd vernietigd door de Hoge Raad en verwezen naar het Hof te 's-Gravenhage.

Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de navorderingsaanslag tot f 1.796.000. Belanghebbende stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de Inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag beschikte over de aangifte vennootschapsbelasting van Holding B.V., waaruit de omvangrijke rekening-courantschuld bleek.

De Inspecteur had nagelaten nadere informatie te vragen over deze schuld, ondanks het ontbreken van een aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende en de omvang van de schuld. Dit ambtelijk verzuim verhindert navordering. Daarom vernietigde de Hoge Raad zowel de uitspraak van het Hof als de navorderingsaanslag en veroordeelde de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990 wegens ambtelijk verzuim van de Inspecteur.

Uitspraak

Nr. 36.696
2 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Oostenrijk) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 oktober 2000, nr. BK-99/30442, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 150.000.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.884.423, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. De uitspraak van dit hof van 3 juli 1998 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1999, nr. 34636, BNB 1999/445, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 1.796.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat aan de navorderingsaanslag een feit ten grondslag ligt dat de Inspecteur bij het opleggen van de primitieve aanslag niet bekend was en in redelijkheid ook niet bekend had kunnen zijn, te weten het niet beantwoord zijn van vragen over de aangifte vennootschapsbelasting 1990 op het punt van een rekening-courantschuld van belanghebbende aan de vennootschap X Holding B.V. (hierna: Holding B.V.), waarvan belanghebbende directeur en enig aandeelhouder was.
4.2. Het middel, dat tegen dit oordeel opkomt, betoogt dat het aan een ambtelijk verzuim van de Inspecteur is te wijten dat de primitieve aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld.
4.3. Het middel slaagt. Er moet van worden uitgegaan dat de Inspecteur bij de regeling van de primitieve aanslag inkomstenbelasting kon beschikken over de voor de vennootschapsbelasting 1990 ingediende aangifte van Holding B.V. waaruit de rekening-courantschuld van belanghebbende aan Holding B.V. bleek, welke schuld (inclusief rente) in dat jaar was opgelopen van f 46.304 naar f 1.884.423. Bij het opleggen van de primitieve aanslag inkomstenbelasting heeft de Inspecteur de fiscale kwalificatie van de rekening-courantschuld niet onderzocht. De wijziging van de rekening-courantschuld is echter van zodanige omvang dat dit gegeven, gevoegd bij de omstandigheid dat de Inspecteur van de zijde van belanghebbende geen aangifte inkomstenbelasting 1990 had ontvangen, de Inspecteur aanleiding had moeten geven alvorens de aanslag op te leggen nadere informatie omtrent de rekening-courantschuld te vragen. Door dit na te laten heeft hij een ambtelijk verzuim begaan dat navordering verhindert.
4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven en dat de Hoge Raad de zaak kan afdoen.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten, en vernietigt de uitspraak van de Inspecteur, alsmede de navorderingsaanslag,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 160,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2840 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2001.