Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2003:AH8793

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36102
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting na staking onderneming

Belanghebbende kreeg voor 1994 een aanslag inkomstenbelasting van nihil opgelegd, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 74.475. Na bezwaar en beroep bij het Hof Leeuwarden werd de navorderingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende stelde in cassatie dat hij zijn onderneming in gewijzigde vorm had voortgezet en dat het gelijkheidsbeginsel toepassing vond op een resolutie over vervangingsreserves.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had vastgesteld dat belanghebbende zijn onderneming had gestaakt en dat het houden van aandelen in de BV niet als voortzetting van de onderneming kon worden aangemerkt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van gelijke gevallen. Ook werd geoordeeld dat het Hof niet buiten de rechtsstrijd was getreden en dat de kennis van de gemachtigde omtrent de fout in de aanslag aan belanghebbende kon worden toegerekend.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en achtte geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Hiermee bleef de navorderingsaanslag in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.

Uitspraak

Nr. 36.102
27 juni 2003
EC
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10 maart 2000, nr. 4/98, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd van nihil.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 74.475, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft aan de vastgestelde feiten terecht de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende zijn onderneming heeft gestaakt. Het heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het houden van het aandelenpakket in de door belanghebbende opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid niet kan worden aangemerkt als het drijven van een onderneming. Middel 1, dat berust op de opvatting dat belanghebbende zijn onderneming in gewijzigde vorm heeft voortgezet, faalt mitsdien.
3.2. Middel 2 strekt ten betoge dat belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel aanspraak kan maken op overeenkomstige toepassing van de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 25 augustus 1992, nr. DB92/3157, BNB 1992/313, waarin wordt goedgekeurd dat een vervangingsreserve in geval van een door overheidsingrijpen veroorzaakte dwangpositie wordt afgeboekt op de kostprijs van een vervangend bedrijfsmiddel, ook indien niet aan alle daarvoor in de wet gestelde eisen is voldaan. Aangezien belanghebbende zijn onderneming heeft gestaakt en niet een nieuwe onderneming is gaan drijven, kan geen sprake zijn van een vervangend bedrijfsmiddel. Nu de Resolutie op die eis geen uitzondering maakt, is geen sprake van gelijke gevallen, en faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
3.3. Middel 3, dat erover klaagt dat het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, richt zich tegen een door het Hof aan de vastgestelde feiten en de in de gedingstukken vermelde feiten verbonden gevolgtrekking, die geenszins onbegrijpelijk is. Het Hof is met deze gevolgtrekking niet getreden buiten de feiten die partijen aan hun standpunten ten grondslag hebben gelegd. Ook dit middel faalt.
3.4. De middelen 4 en 5 strekken ertoe te betogen dat navordering niet mogelijk was omdat, aldus deze middelen, noch aan de gemachtigde, noch aan belanghebbende, kenbaar was dat bij de aanslagregeling een fout was gemaakt. Voorzover dit betoog inhoudt dat de fout aan de gemachtigde niet kenbaar was omdat deze mocht menen dat zijn standpunt alsnog door de Inspecteur was gevolgd, komt het tevergeefs op tegen 's Hofs oordeel dat, in het bijzonder gelet op de brief aan de gemachtigde van 31 januari 1997, het de gemachtigde aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de aanslag moest berusten op een vergissing. Dit oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Voor het overige komt dit betoog erop neer dat de kennis en de wetenschap van de gemachtigde niet aan belanghebbende mag worden toegerekend omdat de aanslag aan belanghebbende zelf was gericht. Ook dit betoog gaat niet op, aangezien het enkele feit dat het aanslagbiljet aan belanghebbende is verzonden, op zichzelf niet aan een dergelijke toerekening in de weg staat, en het Hof kennelijk ervan is uitgegaan dat naar aanleiding van de aanslag overleg heeft plaatsgehad tussen belanghebbende en de gemachtigde. Ook de middelen 4 en 5 falen mitsdien.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2003.