Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
Amsterdamvan 3 oktober 1978 betreffende de haar opgelegde aanslag tot navordering van vennootschapsbelasting over het jaar 1972;
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap die een wegenbouwbedrijf exploiteert, kreeg een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd over 1972. Na een onderzoek door de rijksaccountantsdienst en besprekingen met de inspecteur werd een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting overeengekomen. Door een fout bij de belastingdienst werd deze aftrek niet verwerkt, waardoor een te hoge aanslag werd opgelegd.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze fout, maar bij de uitspraak op het bezwaar werd de aanslag onterecht op nihil gesteld in plaats van het correcte bedrag van f 266.100. De gemachtigde van belanghebbende ontdekte deze fout en meldde dit aan de inspecteur. Desondanks werd de navorderingsaanslag opgelegd omdat belanghebbende niet vrijwillig wilde betalen zonder concessies.
Het hof oordeelde dat de navordering terecht was omdat de fout kon worden aangemerkt als een schrijf- of tikfout en dat de hoofdregel van navordering van te weinig geheven belasting van toepassing was. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd betoogd dat het hier niet om een tikfout ging maar om een verkeerde toepassing van de belastingwetgeving. De Hoge Raad stelde dat de fout gelijkgesteld kon worden aan een schrijf- of tikfout en dat de navordering daarom geoorloofd was.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de navorderingsaanslag terecht is opgelegd ondanks fouten bij de belastingdienst.