Belanghebbende werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2004 tot en met 2006 en een aanslag over 2007. De Inspecteur voerde een boekenonderzoek uit dat op 14 september 2009 begon, nadat de aanslagen over 2004 tot en met 2006 al waren opgelegd. Het Hof oordeelde dat de Inspecteur beschikte over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde, en verwierp het verweer van ambtelijk verzuim.
De Hoge Raad stelde echter vast dat de Inspecteur ambtelijk verzuimde door de primitieve aanslag over 2006 op te leggen zonder de uitkomsten van het boekenonderzoek af te wachten, ook al was de selectie voor geautomatiseerde afdoening vóór het boekenonderzoek gebeurd. Dit leidde tot vernietiging van de navorderingsaanslag over 2006.
Daarnaast behandelde de Hoge Raad de vraag of de navordering kon worden gebaseerd op de regeling voor herstel van redelijkerwijs kenbare fouten, maar verwierp dit omdat de aanslag van 2006 vóór de inwerkingtreding van die regeling was vastgesteld.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het Hof en de Rechtbank voor zover het de navorderingsaanslag 2006 betrof, vernietigde de aanslag zelf en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en het griffierecht.