Het geschil betreft de navorderingsaanslag vennootschapsbelasting (VPB) over 2004 opgelegd aan belanghebbende, naar aanleiding van de vrijval van een herinvesteringsreserve (HIR). De inspecteur legde de aanslag op nadat belanghebbende op 3 december 2008 (tardief) de aangifte voor 2004 had ingediend, waarin de vrijval van de HIR was verwerkt.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de navorderingsaanslag vernietigd, stellende dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend was met de feiten die de navordering rechtvaardigen, en dat er sprake was van ambtelijk verzuim. Het hof oordeelt echter dat het tardief ingediende aangiftebiljet 2004 een nieuw feit oplevert dat navordering rechtvaardigt.
Hoewel de inspecteur op het moment van opleggen van de aanslag 2004 op de hoogte was van een hoorgesprek waarin de gemachtigde van belanghebbende aangaf dat de HIR in 2004 zou vrijvallen, is dit volgens het hof niet gelijk te stellen met een feitelijke aangifte waarin de vrijval is verwerkt. Tevens is er geen bindende afspraak gemaakt over de belastingheffing van 2004 tijdens dat hoorgesprek.
Het hof acht het opleggen van de aanslag 2004 zonder afhandeling van het bezwaar over 2000 geen ambtelijk verzuim. De inspecteur hoefde zich niet in te dekken tegen alle mogelijke toekomstige standpunten van belanghebbende. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.