Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
kande betrokkene doen opnemen wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft, of op verzoek van de betrokkene zelf. Voorafgaand aan de opneming stelt de geneesheer-directeur zich op de hoogte van de actuele geestelijke gezondheidstoestand van de patiënt (art. 14d Wet Bopz).
erga omnes’)worden gegeven; dan zou zij los staan van “een bepaalde rechtsverhouding”. De praktijk toont dat soms een verklaring voor recht wordt uitgesproken in een met een verzoekschrift ingeleide zaak [14] . Dan gaat het steeds om een procedure waarin de wederpartij bekend is en waarin de verklaring voor recht de rechtsbetrekking van de verzoeker tot die wederpartij betreft, bijvoorbeeld in alimentatiekwesties. In het onderhavige geval is namens betrokkene weliswaar een verklaring voor recht verzocht, maar op geen enkele wijze aangeduid ten opzichte van wie deze verklaring voor recht zou moeten gelden (jegens de Staat der Nederlanden?, jegens de rechtspersoon die het ziekenhuis exploiteert waarvan de geneesheer-directeur het besluit van 14 november 2013 had genomen?). De rechtbank heeft om deze redenen mogen oordelen dat bij de indiening van dit verzoek om een verklaring voor recht niet de juiste procedurele weg is gevolgd.
ab initio. De weigering van de rechtbank om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in de periode vanaf 14 november 2013 is volgens het middelonderdeel in strijd met de wet, mede gelet op art. 5 EVRM Pro.
ex tuncvan het besluit om een persoon te detineren. De rechter beslist naar de actuele toestand over de rechtmatigheid van de detentie. Indien deze onrechtmatig is, beveelt de rechter de invrijheidstelling [18] . Voor machtigingsprocedures was dit uitgangspunt al langer door de Hoge Raad aanvaard [19] .
ex tunc) [22] . Zou de burgerlijke Bopz-rechter zich beperken tot een toetsing
ex tuncvan het besluit van de geneesheer-directeur en geen rekening mogen houden met inmiddels gewijzigde omstandigheden, dan zou de rechtsbescherming wellicht niet voldoen aan de eisen die art. 5 lid 4 EVRM Pro daaraan stelt. Daarnaast is een probleem dat de Wet Bopz niet voldoende is aangepast aan de Awb, toen de geneesheer-directeur als bestuursorgaan bevoegd werd gemaakt om zelf een beslissing over het ontslagverzoek te nemen. De verzoekschriftprocedure in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering noch de procedurevoorschriften in de Wet Bopz voorzien met zoveel woorden in een bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een besluit van de geneesheer-directeur te vernietigen of gebruik te maken van de andere uitspraakmodaliteiten die het bestuursprocesrecht kent. Met name is art. 8:72 Awb Pro niet van overeenkomstige toepassing verklaard. De Hoge Raad overwoog in 2003 dan ook:
Scyllawordt vermeden van een met art. 5 EVRM Pro strijdige, want te beperkte, toetsing
ex tunc, maar anderzijds de
Charybdisdreigt van een rechtsbescherming die tekort schiet wanneer de rechter geen enkele consequentie verbindt aan fouten die het bestuursorgaan (in dit geval: de geneesheer-directeur) heeft gemaakt bij het voorbereiden of het nemen van het besluit. Ook werd als een nadeel beschouwd dat de rechtskracht van het besluit van het bestuursorgaan in de lucht blijft hangen, indien toetsing door de bestuursrechter wettelijk is uitgesloten en de Bopz-rechter zich niet uitspreekt over de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van het besluit [25] .
ex tuncmet een toetsing
ex nunc.Hij overwoog:
ex nuncuit de beschikking van 17 februari 2006 gehandhaafd, maar daarnaast ruimte gemaakt om in de art. 14e-procedure een oordeel te geven over de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in de verstreken periode. Ik citeer uit rov. 3.4:
petitummeer ter beslissing aan de rechtbank voorlag, waarvoor een beoordeling achteraf van de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in de periode vanaf 14 november 2013 nog van nut kon zijn. Tenzij de Hoge Raad in zijn beschikking van 5 oktober 2012 heeft willen terugkomen op zijn beschikking van 17 februari 2006 m.b.t. het object van de toetsing door de Bopz-rechter, geeft dit oordeel van de rechtbank geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
onderdeel IIvan het tegendeel uitgaat, deelt het in dat lot.