Conclusie
2.Bespreking van de prejudiciële vragen
is een vordering onder bewind gesteld, dan is de schuldeiser van die vordering de rechthebbende(curs. W-vG) [14] . Titel 6 van Boek 3 is uiteindelijk niet ingevoerd, maar dit laat onverlet dat de art. 1:431-1:449 BW een zelfstandige, complete regeling behelzen die uit de verschillende artikelen volgt [15] .
Zo nee, kan dat – tijdens de procedure alsnog – worden bewerkstelligd, bijvoorbeeld doordat een verklaring van de rechthebbende in de procedure wordt ingebracht inhoudende een instemming met de verschijning (van de beschermingsbewindvoerder) in die procedure?)
altijdte worden gedagvaard.
plicht, maar van een uitbreiding van de publicatie
mogelijkheid.
aansprakelijk te stellen(curs. W-vG) tot betaling van achterstallige huurtermijnen, vervallen na de datum waarop de onderbewindstelling is uitgesproken, waarmee de huurder/rechthebbende als formele contractspartij aansprakelijk is en blijft voor betaling van de huurpenningen aan de verhuurder. In de lijn van het voorgaande ligt dan ook, aldus de kantonrechter, dat de vordering strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling tot betaling van de huurachterstand en bijkomende kosten niet tegen de bewindvoerder q.q. moeten worden gericht. Dat geldt overigens ook voor de vordering tot ontruiming van het gehuurde, daar, naar het oordeel van de kantonrechter, ontruimen een feitelijke handeling is die de huurder/rechthebbende moet verrichten en derhalve geen beheersdaad.