Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, althans dat dat oordeel onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
- Dat het belang van verdachte bij niet vervolging gelet op zijn persoonlijke situatie en de mogelijke gevolgen voor de uitoefening van zijn beroep als piloot zwaarder moet wegen dan het geringe vervolgingsbelang van de Nederlandse overheid, omdat door de verwijdering van een verlopen visum geen wezenlijke afbreuk is gedaan aan schending van het vertrouwen dat in het internationale personenverkeer in identiteitspapieren dient te worden gesteld, nu een verlopen visum geen informatie bevat die op enigerlei wijze relevant kan zijn.
- Uit informatie van Amerikaanse autoriteiten blijkt dat het verwijderen van een verlopen visum naar Amerikaans recht geen strafbaar feit oplevert indien het paspoort daardoor niet beschadigd wordt,
procedureleconsequenties aan die beoordeling’ terughoudend moet zijn. [10] Met die analyse van Schalken ben ik het eens.
het zesde middelbespreken, dat een Salduz klacht inhoudt en betrekking heeft op de vraag of het hof voor het bewijs gebruik heeft mogen maken van de verklaring die verdachte op 18 maart 2010 tegenover de politie heeft afgelegd zonder dat hij daarvoor in de gelegenheid was gesteld een raadsman te consulteren.
NOOT VERBALISANT:
INSLUITING:
RETOUR VERDACHTE:
VERHOOR:
AFSTAND:
Ik, verbalisant, heb de verdachte medegedeeld, dat indien hij dit wenst, er een advocaat bij dit verhoor aanwezig mag zijn. Verdachte heeft aangegeven dit te willen.
- Wel blijkt hieruit dat verdachte zowel tijdens zijn voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie M. Zomerdijk als (kennelijk voorafgaand) aan de aanvang van het verhoor op donderdag 18 maart 2010 ten overstaan van [verbalisant 2] te kennen heeft gegeven bijstand te willen hebben van een advocaat.
- In het proces-verbaal opgemaakt door [verbalisant 1] staat onder het kopje ‘verhoor’ vermeld dat verdachte voorafgaand aan het verhoor op 18 maart 2010 met zijn raadsman heeft gesproken.
- Uit de gedingstukken valt echter op geen enkele wijze op te maken of verdachte inderdaad door een raadsman is bezocht of wanneer en waar dat is gebeurd of dat er wellicht telefonisch contact is geweest. Er bevindt zich geen verklaring optreden raadsman of piketformulier bij de stukken. Het is niet duidelijk welke raadsman verdachte zou hebben bezocht. Op het ‘Gegevensblad’ dat zich in het dossier bevindt staat achter ‘Naam raadsman’ slechts ingevuld: ‘Bureau Rechtsbijstand Rotterdam’.
- Uit het proces-verbaal van [verbalisant 2] kan alleen worden opgemaakt dat er kennelijk op 18 maart 2010 tegen 9.00 uur contact is geweest met ‘de advocaat van de verdachte’ en dat deze is uitgenodigd bij het verhoor aanwezig te zijn, maar daaruit blijkt niet wie die advocaat was. Gelet op hetgeen staat vermeld op het gegevensblad achter ‘raadsman’, kan worden afgeleid dat contact is geweest met Bureau Rechtsbijstand Rotterdam, maar dat zal dan alleen betrekking hebben op het doorgeven van een verzoek om bijstand van een advocaat. Verder wordt als bevinding gemeld dat er geen advocaat is verschenen. Uit het proces-verbaal blijkt niet dat hierover met verdachte is gesproken.
- dat het geven van de cautie onvoldoende compensatie biedt voor het ontbreken van rechtsbijstand;
- dat een verdachte die heeft aangegeven bijgestaan te willen worden door een advocaat niet mag worden geacht afstand te hebben gedaan uitsluitend op grond van de omstandigheid dat hij antwoord heeft gegeven op vragen die hem in een verhoor zijn gesteld.
- Het EHRM voegt daar nog aan toe dat op het moment dat een verdachte om een advocaat heeft gevraagd, het verhoor niet mag worden begonnen of voortgezet zolang hij van bijstand is verstoken, tenzij hij op zijn eigen initiatief heeft aangegeven verder te willen praten.
garde à vue(politiedetentie) en voorafgaand aan de verlenging daarvan een advocaat te consulteren. De uitspraak is alleen beschikbaar in de Franse taal en de belangrijkste overwegingen van het EHRM worden hieronder geciteerd (onderstrepingen zijn door mij aangebracht):
dès le début de cette mesure, ainsi que pendant les interrogatoires, et ce a fortiori, comme cela vient d’être rappelé, lorsqu’elle n’a pas été informée par les autorités de son droit de se taire (voir, notamment, Salduz, précité, §§ 50-62, Dayanan c. Turquie, no 7377/03, §§ 30-34, 13 octobre 2009, Boz c. Turquie, no 2039/04, §§ 33-36, 9 février 2010, Adamkiewicz c. Pologne, no 54729/00 §§ 82-92, 2 mars 2010, et Brusco, précité, §§ 45 et 54).
que l’assistance d’un avocat durant la garde à vue doit notamment s’entendre, au sens de l’article 6 de la Convention, comme l’assistance « pendant les interrogatoires »(Karabil c. Turquie, no 5256/02, § 44, 16 juin 2009, Ümit Aydin c. Turquie, no 33735/02, § 47, 5 janvier 2010, et Boz, précité, § 34),
et ce dès le premier interrogatoire(Salduz, précité, § 55, et Brusco, précité, § 54).
La Cour relève en effet que le droit interne ne prévoyait qu’une consultation avec un avocat au début de la garde à vue ou de la prolongation de celle-ci, pendant une heure maximum, l’avocat étant en tout état de cause exclu des interrogatoires dans tous les cas(paragraphes 14, 21 et 39 ci-dessus).
la Cour ne peut que constater que les requérants ont été automatiquement privés de l’assistance d’un conseil au sens de l’article 6 lors de leur garde à vue, la loi en vigueur à l’époque pertinente faisant obstacle à leur présence durant les interrogatoires(voir, parmi d’autres, Salduz, précité, §§ 27-28, Dayanan, précité, § 33, et Boz, précité, § 35
). Dans ces conditions, la question de la renonciation au droit à l’assistance d’un avocat est sans objet.
gedurendezijn verhoor, levert het ontbreken hiervan een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv dat dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaring die verdachte op 18 maart 2010 heeft afgelegd.
tweede middelstelt aan de orde dat de bewezenverklaring, voor zover inhoudend dat het reisdocument vervalst was, onvoldoende steunt op redengevende bewijsmiddelen en derhalve onbegrijpelijk is, althans onvoldoende is gemotiveerd.
CONCLUSIE:
Stb.1989, 189) waarbij de tekst van art. 231 Sr Pro is gewijzigd, was de bedoeling van die wijziging om alle misdrijven die betrekking hebben op frauduleuze handelingen met reisdocumenten in één wetsbepaling onder te brengen, nu voorheen bijvoorbeeld het verstrekken van een (niet vervalst) reisdocument aan een ander om het te gebruiken alsof het aan die ander was uitgereikt, of het pure bezit van een vals reisdocument niet onder de voormalige delictsomschrijvingen van een van de leden van art. 231 Sr Pro viel. Bovendien bevatte de oude delictsomschrijving van het tweede lid van art. 231 Sr Pro geen culpose variant van het bezit van een vervalst reisdocument. [42]
derde middelbevat de klacht, die samenhangt met de klacht die is geformuleerd in het tweede middel, dat het hof niet of onvoldoende heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte diende te worden vrijgesproken nu het verwijderen van een verlopen Chinees visum geen valsheid oplevert in de zin van art. 231 Sr Pro.
vierde middelklaagt dat het hof voor de bewezenverklaring gebruik heeft gemaakt van een verklaring van twee verbalisanten dat het paspoort ‘een vervalst exemplaar’ betrof en dit geen feiten of omstandigheden zijn die de verbalisanten zelf hebben waargenomen of ondervonden maar een (ongeoorloofde) conclusie die aan de rechter is voorbehouden.
vijfde middelklaagt dat de afwijzing van het verzoek van de verdediging om een deskundige aan te wijzen die zou kunnen rapporteren over de vraag of het paspoort in enige mate van betekenis is beschadigd, onbegrijpelijk is althans onvoldoende gemotiveerd.