ECLI:NL:HR:2011:BO9838
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.M.E. Thomassen
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende onderzoek naar recht op advocaat voorafgaand aan eerste politieverhoor
In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De kern van het geschil betreft het zogenaamde Salduz-verweer, waarbij wordt betoogd dat de verklaring van de verdachte uitgesloten moet worden omdat hij niet voorafgaand aan het eerste politieverhoor de gelegenheid heeft gehad een advocaat te raadplegen.
Het hof had vastgesteld dat uit het dossier niet bleek dat de verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor met een raadsman had kunnen overleggen. Desondanks oordeelde het hof dat de verklaring niet in strijd was met artikel 6 EVRM Pro, omdat de verdachte zijn verklaring naar het oordeel van het hof in vrijheid had afgelegd en niet had ingetrokken.
De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere jurisprudentie en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat een verdachte vóór het eerste verhoor gewezen moet worden op zijn recht op raadpleging van een advocaat en dat, tenzij ondubbelzinnige afstand is gedaan of dwingende redenen bestaan, de verdachte binnen redelijke grenzen de gelegenheid moet krijgen dat recht te verwezenlijken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof had moeten onderzoeken of de verdachte op zijn recht was gewezen en of hij daarvan gebruik kon maken of afstand had gedaan. Omdat het hof dit onderzoek niet heeft verricht, is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.