ECLI:NL:HR:2021:826
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over overschrijding redelijke termijn en immateriële schadevergoeding in belastingzaken
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen aanslagen inkomstenbelasting/premievolksverzekeringen over meerdere jaren. De uitspraak op bezwaar liet lang op zich wachten, deels door instemming van belanghebbende met uitstel en deels door aanhouding in verband met prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie.
Het Hof Den Haag oordeelde dat instemming met uitstel een bijzondere omstandigheid was waardoor de redelijke termijn niet was overschreden. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en stelde dat instemming met uitstel geen bijzondere omstandigheid vormt, maar dat aanhouding wegens prejudiciële vragen wel buiten beschouwing moet blijven bij de termijnberekening.
Voor de jaren 2010 en 2011 was de redelijke termijn daardoor overschreden met respectievelijk drie jaar en vijf maanden en twee jaar en vijf maanden. De Hoge Raad kende daarom immateriële schadevergoeding toe van €3.500 en €2.500. Tevens werden proceskosten en griffierechten toegewezen aan belanghebbende.
De uitspraak benadrukt het belang van correcte termijnberekening bij bezwaarprocedures en de beperkte betekenis van instemming met uitstel als bijzondere omstandigheid. Het arrest sluit aan bij eerdere jurisprudentie over redelijke termijnen en vergoeding van immateriële schade.
Uitkomst: De Hoge Raad kent immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding redelijke termijn voor de jaren 2010 en 2011.