ECLI:NL:HR:2021:416
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Overschrijding redelijke termijn en instemming met uitstel uitspraak op bezwaar
Belanghebbende, werkzaam aan boord van een binnenvaartschip, stelde zich op het standpunt dat hij voor de periode 1 januari tot en met 9 augustus 2007 recht had op vrijstelling van premie volksverzekeringen. Daarnaast vorderde hij vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.
Het hof oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de werkgever daadwerkelijk exploitant was van het schip en dat instemming met uitstel van de uitspraak op bezwaar een bijzondere omstandigheid vormde waardoor de redelijke termijn niet was overschreden.
De Hoge Raad verwierp het oordeel over de exploitantenvergunning als een waardering van bewijs die niet onbegrijpelijk was, maar vernietigde het oordeel over de instemming met uitstel als bijzondere omstandigheid. De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat instemming met uitstel geen verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt.
De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep en de Inspecteur in die van het hof.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en het vonnis van de rechtbank bevestigd.