Art. 7 Wet bpmArt. 20 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 110 VWEUArt. 6 EVRMArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen naheffingsaanslag bpm en griffierecht: vernietiging naheffingsaanslag wegens onjuiste belastingplichtige
Belanghebbende had een naheffingsaanslag bpm opgelegd gekregen van € 3.243, welke zij betwistte. De Rechtbank had de aanslag verminderd tot € 2.201 en een vergoeding van immateriële schade toegekend. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en de wijze van heffing van het griffierecht.
Het Hof oordeelt dat de naheffingsaanslag onterecht aan belanghebbende is opgelegd, omdat volgens de wet de belastingplichtige de kentekenhouder is. De aanslag wordt daarom vernietigd. De materiële standpunten over de hoogte van de aanslag laat het Hof onbesproken vanwege deze vernietiging.
Verder oordeelt het Hof dat het vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht, omdat dit geen belemmering vormt voor de toegang tot de rechter. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten. De immateriële schadevergoeding en rentevergoeding worden niet verhoogd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt vernietigd omdat deze onterecht aan belanghebbende is opgelegd; het vooraf heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-24/893
Uitspraak van 17 december 2025
in het geding tussen:
VOF [X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 11 september 2024, nummer SGR 22/5111.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 3.243 (de naheffingsaanslag).
1.2.
De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 2.201;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 692;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 808;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden;
- bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2025. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 november 2025 een pleitnota ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 697 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Suzuki Vitara 1.0 Boosterjet Select (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 1 maart 2019. De tenaamstelling van de auto heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021.
2.2.
In de aangifte is het RSIN van belanghebbende vermeld. In het vak ‘naam onderneming’ onder de rubriek ‘De aangever/vergunninghouder is een (…) Ondernemer Naam onderneming’ is vermeld: ‘ [belanghebbende] ’. Op het vermelde adres in [woonplaats] is belanghebbende gevestigd. Als e-mailadres is vermeld: ‘ [e-mailadres] ’. De datum van ondertekening van de aangifte is 3 juli 2020.
2.3.
In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] (het taxatierapport) van 1 juli 2020. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 25.343 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 13.629. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 9.935 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 3.694. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.790 (CO2-uitstoot van 139 g/km WLTP).
2.4.
De Inspecteur heeft een bedrag van € 3.243 aan bpm nageheven. De Inspecteur heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 25.343 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 14.586 (AutotelexPro). De Inspecteur heeft een waardevermindering wegens schade van € 1.628 (72% van € 2.261) vastgesteld en de handelsinkoopwaarde van de auto vastgesteld op € 12.958 (afschrijving van 48,87%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 7.706 (CO2-uitstoot van 139 g/km NEDC1).
2.5.
De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.201, waarbij de historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 24.907 en de handelsinkoopwaarde van de auto op € 12.958. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 4.790 (CO2-uitstoot van 139 g/km WLTP).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“ Beoordeling van het geschil
Vooraf over de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Unierecht
8. De rechtbank stelt voorop zij, anders dan de gemachtigde bepleit, ervan uitgaat dat de oordelen van de Hoge Raad over de bpm in overeenstemming zijn met het Unierecht. De rechtbank zal haar oordelen over de desbetreffende klachten van eiseres slechts motiveren indien zij van oordeel is dat de Hoge Raad in strijd met het Unierecht heeft geoordeeld. Voor het overige zal de rechtbank ter motivering van haar beslissingen volstaan met verwijzingen naar de oordelen van de Hoge Raad.
Prejudiciële vragen
9. De rechtbank overweegt dat zij niet verplicht is tot het stellen van prejudiciële vragen. Een dergelijke verplichting volgt ook niet uit artikel 267 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Uit de samenhang tussen de tweede en derde alinea van die bepaling moet worden afgeleid dat het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) voor een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht vatbaar zijn voor hoger beroep (zoals de rechtbank) een bevoegdheid vormt en niet een verplichting. Een andersluidende rechtsopvatting kan ook niet worden gebaseerd op het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, waarop eiseres zich heeft beroepen, aangezien de aldaar bedoelde verwijzingsplicht slechts geldt indien de geldigheid van een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie in het geding is. Dat is thans niet aan de orde. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen.
Naheffingsaanslag aan juiste persoon?
10. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan haar is opgelegd. De naheffingsaanslag had moeten worden opgelegd aan de kentekenhouder, aldus eiseres. Deze stelling faalt. In artikel 7, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Wet bpm) is bepaald dat indien de aanvraag voor inschrijving in het kentekenregister wordt gedaan door een ander dan de kentekenhouder, die ander gehouden is de belasting op aangifte te voldoen. Eiseres heeft ingevolge artikel 7 vanPro de Wet bpm aangifte gedaan. Op haar rust dan de wettelijke verplichting om de verschuldigde belasting te betalen. Eiseres heeft ook bpm betaald, maar verweerder stelt dat de verschuldigde bpm hoger is. De te weinig geheven belasting kan in dat geval op de voet van artikel 20 vanPro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) van eiseres worden nageheven. Eiseres is immers degene met een wettelijke betalingsverplichting. Dat zij de bpm heeft betaald namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, maakt dat niet anders.[1]
Naheffen na belastbaar feit
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat naheffen na het belastbaar feit in strijd is met artikel 110 vanPro het VWEU, omdat binnenlandse gebruikte voertuigen van een dergelijke belasting/modaliteit zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan verweerder op grond van artikel 20 vanPro de Awr de te weinig geheven belasting naheffen. Ook dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting ter zake van die registratie kan worden nageheven, is geen sprake van schending van artikel 110 VWEUPro.[2]
Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel
12. Eiseres heeft zich beroepen op een schending van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel, omdat zij weliswaar in de gelegenheid is gesteld te reageren op het voornemen om na te heffen, maar niet is uitgenodigd om haar bezwaren daartegen mondeling toe te lichten. De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Het in het Unierecht verankerde recht van eenieder om te worden ‘gehoord’ voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden, houdt in dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[3] Verweerder heeft eiseres bij brief van 21 mei 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Gesteld noch gebleken is dat eiseres niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd.
Betalings- en heffingsmodaliteiten
13. Eiseres betoogt dat de bpm voor de registratie van de onderhavige auto in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse motorvoertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit (de registratie in het kentekenregister) plaatsvindt. Die stelling faalt, omdat de Hoge Raad reeds anders geoordeeld heeft.[4] Voor het rentenadeel dat eiseres stelt te ondervinden van het moeten voldoen van de belasting voorafgaand aan de tenaamstelling van het kenteken, dient zij zich te wenden tot de civiele rechter.
Gebreken taxatierapport/gebruik forfaitaire tabel
14. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het taxatierapport dusdanige (formele) gebreken toont dat dit niet kan dienen ter ondersteuning van de door eiseres bepleite van belang zijnde waarden (zoals handelsinkoopwaarde en omvang van de schade e.d.). De gemachtigde heeft ter zitting erkend dat het taxatierapport gebrekkig is en daarbij aangegeven dat hij zich daarop ook niet meer beroept. Eiseres meent dat moet worden aangesloten bij de berekeningen/taxatie van verweerder, doch slechts in zoverre dat die nog moeten aangepast conform de door eiseres in dat verband ingenomen stellingen en standpunten (over schade en CO2-uitstoot e.d.).
15. De rechtbank stelt vast dat het er dus voor moet worden gehouden dat het taxatierapport dusdanig gebrekkig is dat dit niet kan dienen voor de waardevastelling(en). Verweerder heeft bepleit dat gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is, zodat moet worden teruggevallen op – in dit geval – de forfaitaire afschrijvingstabel. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 10, achtste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vereist bij toepassing van de taxatiemethode dat de taxatiewaarde blijkt uit een taxatierapport dat voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden. Dat wijst erop dat verwerping van het taxatierapport moet resulteren in uitsluiting van de taxatiemethode. Dat gevolg zou passen bij de doelstelling van de aangescherpte regels met betrekking tot de taxatiemethode, waarmee is beoogd misbruik van taxatierapporten te bestrijden zonder de Belastingdienst met arbeidsintensief tegenbewijs te belasten.[5] Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad bevat aanwijzingen dat indien het taxatierapport niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden, de vermindering moet worden bepaald aan de hand van een andere methode dan de taxatiemethode.[6] Daar staat tegenover dat in gevallen als het onderhavige, waarin de inspecteur aan de hand van aanvullende informatie van de belastingplichtige de schade aan het motorrijtuig in kwestie heeft kunnen vaststellen, aan de inspecteur en de rechter kennelijk voldoende gegevens ter beschikking staan aan de hand waarvan de werkelijke waarde van het motorrijtuig kan worden vastgesteld. In zodanige gevallen zou het in strijd komen met artikel 110 vanPro het VWEU om bij de bepaling van de vermindering niettemin uit te gaan van een hogere waarde op grond van de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.
Schade en veranderingen aan auto voor registratie
16. Eiseres stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de bevindingen van verweerder met betrekking tot de schade aan de auto geen grondslag kunnen vormen voor de correctie van de verschuldigde bpm. Aan die stelling ligt het betoog ten grondslag dat in de wet niet is vastgelegd dat de auto in ongewijzigde staat moet blijven tussen de taxatie en de aangifte en dat de schade tussentijds kan zijn hersteld, dat dit een leemte is in de wet en aldus niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel, dat dus uit niets blijkt dat de auto op het moment van de aangifte in dezelfde staat verkeert als op het moment van de fysieke opname door de taxateur en dat eventuele afwijkingen in de staat van de auto belastingplichtigen niet kunnen worden tegengeworpen nu niet is voldaan aan het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiseres ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.[7] Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Dat is slechts anders indien sprake is van een schadeverleden dat heeft geleid tot een blijvende waardevermindering van de auto. Eiseres heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat dit hier het geval is, zodat er geen aanleiding bestaat de bevindingen van verweerder buiten beschouwing te laten, nog daargelaten het antwoord op de vraag of eiseres daar belang bij zou hebben na de verwerping van het taxatierapport.
72% van de herstelkosten
17. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door verweerder vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2020; de Uitvoeringsregeling), zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken.[8] Een waardevermindering door schade is een zodanig feit. Eiseres dient dus tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat die schade meer bedraagt dan het bedrag dat verweerder heeft vastgesteld. Daarin is zij naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om aan de op haar rustende bewijslast te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet.
18. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om de door verweerder gehanteerde reparatietarieven buiten beschouwing te laten. Eiseres heeft weliswaar aangevoerd dat moet worden uitgaan van reparatietarieven die gelden voor dergelijke exclusieve voertuigen als in casu. Echter, nog daargelaten dat in onderhavig geval geen sprake is van een exclusief voertuig, heeft eiseres met deze enkele, niet onderbouwde stelling niet aannemelijk gemaakt dat bij het vaststellen van de schade is uitgegaan van te lage reparatietarieven.
CO2-uitstoot/NEDC1/WLTP/NEDC2
19. Eiseres heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode voor te importeren voertuigen met een datum eerste toelating tussen 1 september 2017 en 1 juli 2020 structureel teveel belasting wordt geheven, omdat veel buitenlandse kentekenregisters al vanaf die datum uitgaan van de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. Deze meetmethode leidt volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Volgens eiseres kan deze discriminatie eenvoudig worden opgeheven door de op basis van de WLTP/NEDC2-methode vastgestelde CO2-uitstoot te verminderen met 7,3 gram (het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals vastgesteld door KPMG). Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
20. De door eiseres beschreven mogelijkheid van discriminatie is door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 vanPro het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[9] Eiseres heeft evenwel niet eens gesteld dat in haar geval aan deze voorwaarden is voldaan.
21. Eiseres verwijst verder naar de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022[10] en stelt dat zij gelet op die uitspraak voor de auto mag uitgaan van een CO2-uitstoot berekend volgens de Scandinavische rekenmethode waarbij mag worden uitgegaan van de laagste CO2-uitstoot. Deze stelling berust op een onjuiste uitleg van de uitspraak van het Hof. Uit die uitspraak volgt niet, zoals eiseres kennelijk meent, dat een belastingplichtige bij de berekening van de bpm zelf de keuze heeft tussen verschillende rekenmethodes voor het vaststellen van de CO2-uitstoot. De uitspraak had betrekking op een geval waarin ten processe was komen vast te staan dat soortgelijke personenauto’s als de importauto (van hetzelfde merk, type, uitvoering, productiejaar en datum eerste toelating) over een Europese typegoedkeuring beschikten waarop een bepaalde CO2-uitstoot was vermeld, maar niettemin voor een lagere, op basis van de zogenoemde Scandinavische methode berekende CO2-uitstoot in het Nederlandse kentekenregister waren geregistreerd en op die voet in de heffing van bpm waren betrokken. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor.
22. Voor zover het betoog van eiseres erop berust dat het begrip ‘gelijksoortigheid’ ruim dient te worden uitgelegd, volgt de rechtbank haar daarin niet. Producten zijn in dit verband als gelijksoortig te beschouwen wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.[11] Het is derhalve voor auto’s van courante modellen (zoals de onderhavige) niet mogelijk een vergelijking te trekken met auto’s van een ander model waarvan de CO2-uitstoot (en dus het verbruik) in meer dan verwaarloosbare mate verschilt.
23. Wel heeft eiseres voor de auto, die in eerste instantie is ingeschreven met een
CO2-uitstoot van 139 gr. NEDC waarop ook de berekende bpm is gebaseerd, nadere stukken overgelegd (een afdruk van OVI) waaruit een CO2-uitstoot van 121 NEDC
en 139 WLTP blijkt. Verweerder heeft erkend dat dit de juiste CO2-uitstoot betreft. De rechtbank zal bij de beoordeling van de naheffingsaanslag derhalve eveneens daarvan uitgaan. Dat betekent dat de bruto bpm voor de auto dient te worden bepaald op € 4.790.
24. De aanpassing van de bruto bpm voor de auto heeft ook invloed op de in aanmerking te nemen historische nieuwprijs. Die dient te worden gesteld op € 16.625 (netto catalogusprijs) * 1,21 (omzetbelasting) + € 4.790 (bruto bpm) = € 24.907. De netto bpm komt alsdan op € 12.958 (handelsinkoopwaarde) / € 24.907 (historische nieuwprijs) * € 4.790 = € 2.898. Dat betekent dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot € 2.898 -/- € 697 = € 2.201.
Leeftijdskorting en lager tussenliggend tarief
25. Eiseres heeft in haar beroepschrift geopperd dat een extra leeftijdskorting zou moeten worden toegekend en dat een lager tussenliggend tarief zou moeten worden toegepast. Zij heeft deze stellingen niet nader geconcretiseerd. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de naheffingsaanslag te verminderen.
Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht
26. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 vanPro het EVRM en artikel 47 vanPro het Handvest verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[12] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[13] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[14] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake.[15] Eiseres heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Wettelijke rente en griffierecht
27. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[16] Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt uitbetaald.
Conclusie
28. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. De naheffingsaanslag zal worden verminderd tot € 2.201.
Immateriële schadevergoeding
29. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 12 augustus 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 22 juli 2022. De uitspraak van de rechtbank is op 11 september 2024 gedaan. Dat is afgerond 37 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met (afgerond) 13 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 22 juli 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 6/13 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 7/13 aan de beroepsfase.
30. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Of de schadevergoedingen aan de gemachtigde toekomen, doet in dit verband niet ter zake.[17] Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500. Daarvan dient € 692 door verweerder te worden vergoed en € 808 door de Staat.
31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, leidt daartoe niet. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan niet worden afgeleid dat eiseres in dit geval recht heeft op een hogere vergoeding dan thans toegekend. Ook het arrest van het HvJ EU van 26 november 2013, C-58/12 P (Gascogne), ECLI:EU:C:2013:770, waarop eiseres zich beroept, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU.
Proceskosten
32. Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen proceskostenvergoeding verschuldigd is voor zover een gegrondverklaring van het beroep het gevolg is van de onjuiste vaststelling van de CO2-uitstoot. Dit is volgens verweerder veroorzaakt door het feit dat eiseres uitsluitend het Duitse kentekenbewijs (en dus niet een certificaat van overeenstemming) heeft overgelegd bij de aanvraag voor de inschrijving. RDW was verplicht de gegevens uit het kentekenbewijs over te nemen. Die gegevens bleken onjuist, maar eiseres heeft tegen die vaststelling geen rechtsmiddelen aangewend. Eiseres heeft zich tegen dit betoog van verweerder verzet. Volgens haar heeft de RDW ten onrechte de uitstoot op basis van WLTP zoals vermeld in het Duitse kentekenbewijs geregistreerd als de uitstoot op basis van NEDC1. Naar haar mening komt het voor rekening van verweerder als hij uitgaat van de onjuiste informatie van de RDW. Hij had ook het register van Eucaris kunnen raadplegen. Eiseres meent dat op haar geen verplichting rust om hierover gegevens aan te leveren.
33. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat de onjuistheid van de naheffingsaanslag aan verweerder te wijten is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de voor de heffing van bpm relevante CO2-uitstoot op grond van artikel 9, dertiende lid, van de Wet bpm alleen kan worden bewezen met de bewijsmiddelen genoemd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling. Op grond van artikel 6a, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling geldt daarbij als uitgangspunt dat de omvang van de CO2-uitstoot blijkt uit het kentekenregister. Dat betekent dat verweerder op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet kan veroordeeld in de kosten van het bezwaar. De mogelijkheid om verweerder in de proceskosten voor het beroep te veroordelen is door de wet echter niet afhankelijk gesteld van verwijtbaarheid aan diens zijde. Nu eiseres in beroep gedeeltelijk in het gelijk gesteld is, zal de rechtbank van die mogelijkheid gebruikmaken. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en met inachtneming van de jurisprudentie van de Hoge Raad dienaangaande voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
34. Voor een integrale proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is ook anderszins niet gebleken. Al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[18]
35. De rechtbank zal verweerder opdragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden.
[11] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23.
[12] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende en tot het juiste bedrag is opgelegd en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de (immateriële)schadevergoeding onjuist is vastgesteld. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft.
4.2.
Belanghebbende concludeert:
primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag,
subsidiair tot verplichting van de Inspecteur een koerslijst XRay in te brengen, en
meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de naheffingsaanslag.
Daarbij concludeert belanghebbende steeds tot toekenning van een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Belastingplichtige
5.1.1.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag aan de kentekenhouder moet worden opgelegd en om die reden ten onrechte aan haar is opgelegd.
5.1.2.
Tot 1 januari 2022 is de belastingplichtige de persoon op wiens naam het kenteken wordt geregistreerd. Uit de gedingstukken volgt dat de auto op naam van [naam] is geregistreerd. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard bij deze gegevens aan te sluiten. De Inspecteur heeft belanghebbende derhalve ten onrechte als belastingplichtige aangemerkt. Dat onder het RSIN van belanghebbende aangifte is gedaan maakt dit, anders dan de Inspecteur bepleit, niet anders. Het is niet mogelijk om uit praktische overwegingen een andere persoon als belastingplichtige aan te wijzen als in de wet deze persoon niet als belastingplichtige is aangewezen. Het Hof zal de naheffingsaanslag vernietigen. Voor vergoeding van rente over een mogelijke teruggaaf dient belanghebbende zich te wenden tot de ontvanger.
Standpunten over de naheffingsaanslag
5.2.1.
Het Hof laat de materiële standpunten over (de hoogte van) de naheffingsaanslag onbesproken, gelet op de conclusie van het Hof dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Hetzelfde geldt voor de formele standpunten die volgens belanghebbende moeten leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag, met inbegrip van de verzoeken om aanhouding anders dan het hiervoor behandelde verzoek.
Griffierecht
5.3.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt.
5.3.2.
De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 vanPro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
5.3.3.
Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78):
- ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan;
- ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en
- ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht.
5.3.4.
Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde (Gerechtshof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638).
Verzoek vergoeding van (immateriële) schade
5.4.1.
De Rechtbank heeft de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld volgens de door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunten. Dit betekent dat geen recht bestaat op een hogere vergoeding van immateriële schade. De verwijzing naar het arrest Scordino van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 29 maart 2006, ECLI:NL:XX:2006:AW8901, leidt niet tot een hogere schadevergoeding. De omvang van de vergoeding hangt volgens het EHRM af van diverse omstandigheden, zoals de complexiteit van de zaak, de houding van de klager en de aangesproken staat en de aard en het belang van het geschil. Uit het arrest kan, anders dan belanghebbende stelt, niet worden afgeleid dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 1.500 of meer voor ieder jaar dat de procedure duurt, dus zonder aftrek van wat als een redelijke termijn wordt beschouwd, vermeerderd met € 2.000 voor het gewicht van de zaak. Voor hoger beroep heeft te gelden dat de redelijke termijn, gelet op de uitspraakdatum per heden, nog niet is verstreken.
5.4.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Daarbij is gelet op het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld .
Slotsom
5.5.
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
6.1.
Het Hof ziet aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet het Hof geen aanleiding. Aan het Unierecht alleen kan belanghebbende het recht op een dergelijke vergoeding niet ontlenen.
6.2.
Het Hof stelt de kosten voor het bezwaar, het beroep en het hoger beroep, op de voet van artikel 8:75 AwbPro in verbinding met het Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op € 2.914,50, berekend als volgt: € 647 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar (1 punt x € 647 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.814 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep (2 punten (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting Rechtbank) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 453,50 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep (2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting) à € 907 x 1 (gewicht van de zaak) x 0,25). De hoogte van de proceskostenvergoeding in hoger beroep is bepaald op de voet van artikel 19a Wet bpm. De gemachtigde heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dient te worden aangemerkt als een bijzonder geval (vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:670).
6.3.
Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade en het griffierecht;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.914,50;
gelast de Inspecteur het griffierecht in hoger beroep van € 559 te vergoeden, en
bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente ten aanzien van de proceskosten en het griffierecht gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, M.J.M. van der Weijden en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon.
De griffier, de voorzitter,
T.S.K.L. Tjon A. van Dongen
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.