Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2716

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
25/1008 en 25/1009
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 20 AWRArt. 7:2 lid 1 AwbArt. 25 AWRArt. 1 lid 2 Wet BPM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag BPM na hoger beroep met diverse formeelrechtelijke grieven

Belanghebbende was het niet eens met een naheffingsaanslag BPM van €12.289 en maakte bezwaar. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag tot €9.087. De Inspecteur handhaafde de aanslag en belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

In hoger beroep werden meerdere formeelrechtelijke grieven aangevoerd, waaronder het betoog dat nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen, schending van het verdedigingsbeginsel, strijdigheid met artikel 110 VWEU Pro, en bezwaren tegen de heffing van griffierecht en proceskostenvergoeding. Het hof oordeelde dat nationale rechters wel bevoegd zijn het Unierecht toe te passen en dat het heffen van griffierecht niet in strijd is met het Unierecht zolang het geen onoverkomelijk obstakel vormt.

Het hof verwierp de stellingen over schending van het verdedigingsbeginsel en het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU Pro. Ook de bezwaren tegen de waardering van de handelsinkoopwaarde, de 72%-regel voor schadeaftrek, en de belastingrente werden ongegrond verklaard. De proceskostenvergoeding en rentevergoeding over griffierecht werden eveneens bevestigd.

Het hof concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten in hoger beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummers BK-ARN 25/1008 en 25/1009
uitspraakdatum: 29 april 2026
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 11 maart 2025, nummers LEE 24/2276 en 24/2277, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 12.289. Daarbij is € 82 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en rentebeschikking gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 9.087, de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd en vergoedingen voor proceskosten en griffierecht toegekend van respectievelijk € 2.461 en € 371.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.6.
Partijen hebben nadere stukken ingebracht.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2026. Namens belanghebbende is A.F.M.J. Verhoeven verschenen. Namens de Inspecteur zijn verschenen [naam1] en mr. [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft voor een Mercedes Benz AMG GT 4.0 R Premium (hierna: de Mercedes) en een Land Rover Sport P400 HSE Dynamic (hierna: de Land Rover) op aangifte een bedrag van € 20.294 respectievelijk € 7.030 aan BPM voldaan.
2.2.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 4.765 plus € 7.524, ofwel € 12.289. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag wat betreft de Mercedes gehandhaafd, en heeft de naheffingsaanslag voor zover deze betrekking heeft op de Land Rover verminderd tot € 4.322. Voor het overige heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de formele grieven van belanghebbende niet slagen. Na beroep is de naheffingsaanslag als volgt berekend:
Mercedes
Land Rover
Catalogusprijs
€ 218.187
€ 108.795
BPM
61.55
€ 35.814
= Consumentenprijs (= historische nieuwprijs)
279.737
€ 144.609
Handelsinkoopwaarde (onbeschadigd; Xray)
125.681
€ 58.782
Schade (72% van herstelkosten)
-/- 0
-/- 12.942
= Handelsinkoopwaarde (beschadigd)
125.681
45.84
Afschrijving
55,08%
68,30%
Historische BPM
(CO2 289 gr/km) 55.786
(CO2 213 gr/km) 35.814
Afschrijving
(55,08%) -/- 30.727
(68,30%) -/- 24.462
= Verschuldigde BPM
25.059
11.352
Door belanghebbende is betaald op aangifte
-/- 20.294
-/- 7.030
Naheffingsaanslag
€ 4.765
€ 4.322

3.Geschil

3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.
3.2
De gemachtigde van belanghebbende heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd:
De nationale rechters – waaronder dit Hof en de Hoge Raad – mogen het Unierecht niet uitleggen. Uitsluitend het Hof van Justitie van de Europese Unie te Luxemburg (hierna: Hof van Justitie) is daartoe bevoegd.
Het (vooraf) heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag ten onrechte niet gehoord, zodat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden.
Het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van een naar Nederland overgebracht motorvoertuig is in strijd met artikel 110 Verdrag Pro betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) nu binnenlandse voertuigen per definitie zijn uitgesloten van een dergelijke heffingsmodaliteit.
De bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering van de verschuldigde BPM rust in het licht van artikel 110 VWEU Pro op de Inspecteur.
De vervroeging van het tijdstip waarop de BPM per 1 januari 2022 wordt verschuldigd (ter zake van de inschrijving in het kentekenregister), is in strijd is met artikel 110 VWEU Pro.
Vanwege schending van de hoorplicht in de bezwaarfase had de Rechtbank de zaken moeten terugwijzen naar de Inspecteur.
De onafhankelijkheid van DRZ ten opzichte van de Inspecteur is niet gewaarborgd en aan het door DRZ opgestelde taxatierapport van de Inspecteur worden ten onrechte minder hoge eisen gesteld dan aan een door belanghebbende in te brengen rapport.
De handelsinkoopwaarde moet worden verminderd met 100% van de geraamde herstelkosten.
Voor de handelsinkoopwaarde moet worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft.
Het in rekening brengen van belastingrente bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van de inschrijving van een importauto, is in strijd met artikel 110 VWEU Pro.
De regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), waarbij de proceskostenvergoeding in beginsel een forfaitair karakter heeft, is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming.
Indien aan belanghebbende het betaalde griffierecht moet worden vergoed, moet rente worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop belanghebbende het griffierecht heeft betaald.
3.3.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraken van de Inspecteur en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

Ad a. Bevoegdheid uitleggen Unierecht
4.1.
De gemachtigde van belanghebbende voert aan dat de nationale rechters het Unierecht niet mogen uitleggen en dat alleen het Hof van Justitie die bevoegdheid heeft.
4.2.
Dit betoog kan niet slagen. De nationale rechters zijn verplicht om het Unierecht toe te passen. [1] Indien een nationale rechter het wenselijk of noodzakelijk acht, kan hij over de uitleg van het Unierecht prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie. Alleen de nationale rechter tegen wiens beslissingen geen hoger beroep kan worden ingesteld heeft op grond van artikel 267 van Pro het VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat.
4.3.
In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU Pro niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. [2]
Ad b. Vooraf heffen griffierecht
4.4.
Het heffen van griffierecht is in strijd met het Unierechtelijke beginsel van doeltreffendheid indien de hoogte van het verschuldigde recht een onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter vormt. [3]
4.5.
In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. [4] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), is om dezelfde redenen evenmin sprake. [5]
4.6.
Belanghebbende heeft de voor het beroep en hoger beroep verschuldigde griffierechten voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is.
Ad c. Schending verdedigingsbeginsel
4.7.
Belanghebbende heeft gesteld dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden, nu belanghebbende niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag. Zo dit beginsel in het onderhavige geval al van toepassing is [6] – het Hof kan dat in het midden laten – dan nog is van een schending daarvan geen sprake. Uit het recht van de Unie vloeit niet voort dat het naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. [7] Dit betekent dat nu belanghebbende voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgenodigd schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid en aldus dat standpunt naar behoren kenbaar heeft kunnen maken, het recht van de Unie niet eist dat belanghebbende ook wordt uitgenodigd voor een hoorgesprek. [8]
Ad d en e. Naheffing van BPM en bewijslast
4.8.
Belanghebbende betoogt dat te weinig geheven BPM niet op grond van artikel 20 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht motorrijtuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan. Dit betoog is niet juist. [9] Ook hetgeen belanghebbende in dit verband nog heeft aangevoerd over het in zijn ogen ten onrechte onderwerpen aan een belastingcontrole treft geen doel. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich niet tegen het houden van toezicht op een juiste heffing van BPM.
4.9.
Verder stelt belanghebbende dat de Inspecteur op grond van het in artikel 110 VWEU Pro neergelegde discriminatieverbod van rechtswege verplicht is te waarborgen dat niet meer belasting wordt geheven dan op soortgelijke binnenlandse voertuigen. Volgens belanghebbende berusten stelplicht en - bij betwisting - bewijslast ter zake van waardeverminderende factoren niet op hem. Ook dit betoog faalt. Op iemand die zich beroept op een vermindering van de verschuldigde BPM rust de plicht om feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die daartoe kunnen leiden. Daarbij moet diegene wel voldoende gelegenheid worden geboden het van hem verlangde bewijs te leveren. [10] Daarvan is in het onderhavige geval sprake. Artikel 110 VWEU Pro verzet zich dan niet tegen deze bewijslastverdeling. [11]
Ad f. Extra leeftijdskorting
4.10.
Vanaf 1 januari 2022 is de BPM verschuldigd ter zake van de inschrijving van een auto in het kentekenregister (artikel 1 lid 2 Wet Pro BPM). In de jaren vóór 2022 was de BPM verschuldigd ter zake van de registratie in het kentekenregister, bestaande uit de inschrijving en tenaamstelling. [12]
4.11.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de vervroeging van het tijdstip waarop de BPM per 1 januari 2022 wordt verschuldigd, in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. Door deze wetswijziging wordt de afschrijvingsperiode verkort en loopt belanghebbende dus de extra leeftijdskorting mis. Dit levert volgens belanghebbende een nadeel op voor importauto’s, zoals de onderhavigen, in vergelijking met gelijksoortige gebruikte personenauto’s die al in het binnenland waren geregistreerd.
4.12.
Dit betoog kan niet slagen. De vervroeging van het tijdstip waarop het belastbare feit zich voordoet, heeft namelijk geen invloed op de concurrentieverhoudingen op de tweedehands automarkt, omdat de waarde van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland waren geregistreerd, op het tijdstip van het nieuwe belastbare feit als gevolg van een lagere leeftijd ook minder zal zijn gedaald dan op het tijdstip van het oude belastbare feit. Dat betekent dat de Inspecteur terecht de vermindering heeft bepaald met inachtneming van het waardeverloop van de auto tot het moment van de inschrijving in het kentekenregister, en niet tot het latere moment van de tenaamstelling.
Ad g. Schending hoorplicht in bezwaarfase
4.13.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorgesprek, zodat de hoorplicht niet is geschonden.
4.14.
Voordat de inspecteur op een bezwaar beslist, dient hij de belanghebbende op verzoek te horen (artikel 7:2, lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 25 AWR Pro). De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt, staat de inspecteur toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en een locatie te kiezen. De vrijheid die de inspecteur in dit verband heeft, wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Die beginselen brengen mee dat rekening moet worden gehouden met de redelijke belangen van de betrokkene(n) en van de inspecteur. De inspecteur moet die belangen tegen elkaar afwegen. Uitgangspunt daarbij is (a) dat het aan de inspecteur is om tijd en plaats van het hoorgesprek te bepalen, en (b) dat geen regel of beginsel meebrengt dat een hoorgesprek alleen kan worden gehouden op een plaats en tijdstip die de belanghebbende en diens gemachtigde uitkomen, bijvoorbeeld in verband met andere verplichtingen. [13]
4.15.
De Inspecteur heeft de gemachtigde tweemaal per aangetekende brief uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 oktober 2023. Nadat deze brieven door de gemachtigde zijn geweigerd, is de gemachtigde per gewone post en per e-mail uitgenodigd voor het hoorgesprek. Het vorenstaande brengt mee dat de Inspecteur de gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld over de bezwaren te worden gehoord en hij bij het plannen van een hoorgesprek de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft geschonden. Dat de gemachtigde vervolgens ervoor heeft gekozen niet te verschijnen, brengt dan niet mee dat de Inspecteur de hoorplicht niet is nagekomen. [14]
Ad h. Taxatierapport en betrouwbaarheid DRZ
4.16.
Belanghebbende betoogt dat aan belanghebbende hogere eisen worden gesteld wat betreft de bewijsmiddelen dan aan de Inspecteur. Dit betoog is onjuist. De rechter weegt de bewijsmiddelen en stelt aan belanghebbendes bewijsmiddelen geen hogere eisen dan aan die van de Inspecteur. Ook overigens is geen sprake van schending van het beginsel van ‘equality of arms’. Zo is niet gebleken dat de Inspecteur (de taxateur van) DRZ heeft beïnvloed of geïnstrueerd over de wijze van taxeren van de auto’s.
4.17.
Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat sprake is geweest van een aanbesteding die niet volgens de daarvoor toepasselijke regels is verlopen, dan nog heeft een dergelijke schending geen invloed op de hier aan de orde zijnde vraag inzake de handelsinkoopwaarde. Het Hof moet beoordelen of de door belanghebbende voorgestane handelsinkoopwaarde, in het licht van wat de Inspecteur heeft gesteld, voldoende door belanghebbende is onderbouwd. Het Hof merkt nog op dat het geen reden ziet te twijfelen aan de deskundigheid van de taxateur van DRZ en evenmin aanleiding heeft vanwege de werkwijze van DRZ in algemene zin geen, dan wel minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. [15]
Ad i. 72%-regel schade
4.18.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 72% van de door hem geraamde herstelkosten in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.19.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (tot 2023) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van de geraamde herstelkosten. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan 72% van de geraamde herstelkosten. [16] Het Hof acht belanghebbende daarin niet in geslaagd.
4.20.
Anders dan belanghebbende betoogt is de 72%-regeling niet strijdig met artikel 110 VWEU Pro, omdat deze regeling aan de belastingplichtige voldoende gelegenheid biedt om het van hem gevraagde bewijs te leveren dat de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadigingen meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten. [17]
Ad j. Ex-rental
4.21.
Belanghebbende heeft niet gemotiveerd gesteld dat de onderhavige auto’s een ‘ex-rental auto’ en/of een daarmee vergelijkbare voertuig zijn. Niettemin stelt belanghebbende zich op het standpunt dat op grond van artikel 110 VWEU Pro voor de bepaling van de afschrijving dient te worden uitgegaan van de waarde van een personenauto die een verhuurverleden heeft (‘ex-rental’), ook als de betreffende auto niet als huurauto is gebruikt, omdat dit de laagst mogelijke waarde is. Het betoog van belanghebbende faalt, omdat dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. [18]
Ad k. Belastingrente
4.22.
Belanghebbende betoogt dat het in rekening brengen van belastingrente bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM ter zake van de inschrijving van een importauto, in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. Dit betoog kan niet slagen. Van een schending van artikel 110 VWEU Pro is geen sprake voor zover die naheffingsaanslag niet leidt tot een hoger bedrag aan BPM dan het bedrag aan BPM dat wordt geacht te rusten op gebruikte, in het binnenland geregistreerde personenauto’s. Dat belastingrente in rekening wordt gebracht ingeval de naheffingsaanslag wordt vastgesteld na het einde van het kalenderjaar waarop de nageheven belasting betrekking heeft, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat gezegd kan worden dat een dergelijke importauto zwaarder wordt belast in de zin van artikel 110 VWEU Pro dan een aangekocht, gebruikt en in het binnenland geregistreerde personenauto.
Ad l. Forfaitaire proceskostenvergoeding
4.23.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de Rechtbank de Inspecteur tot een te laag bedrag in de vergoeding van de proceskosten heeft veroordeeld.
4.24.
Bij het bepalen van de proceskostenvergoeding heeft de Rechtbank zich gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb). Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis. [19]
4.25.
Dit geldt ook als een onjuist bevonden standpunt van de inspecteur in strijd is met het Unierecht. [20] Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3 Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding. [21] In het onderhavige geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden. Het enkele feit dat eventueel in strijd met het Unierecht te veel belasting is geheven, waarvan in het onderhavige geval overigens geen sprake is, is daartoe onvoldoende. [22]
Ad m. Rentevergoeding griffierecht
4.26.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat aan belanghebbende het griffierecht moet worden vergoed vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na de dagtekening van de uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening. [23]
4.27.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat dit oordeel onjuist is en dat op grond van het Unierecht rente moet worden vergoed over de periode vanaf het moment waarop het griffierecht is betaald tot het moment waarop dat griffierecht wordt vergoed. Bovendien moet volgens belanghebbende een rentevoet worden toegepast die geldt voor handelstransacties. Het betoog van belanghebbende faalt. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie (HvJ 18 april 2013, ECLI:EU:C:2013:250) dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. [24]
4.28.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te achten.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd. Gelet daarop is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Omdat het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (A.J.H. van Suilen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. HvJ 14 september 2017, ECLI:EU:C:2017:687.
2.Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 2 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:936, r.o. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.5.
3.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.3.
4.HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6391, r.o. 2.7.
6.Vgl. HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1917, r.o. 4.2.3.
7.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1.
8.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.12.
9.HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.6.
10.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
11.HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.6; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.8.
12.HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.4.1.
13.HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1739, r.o. 4.1.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.14.
14.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1728, r.o. 2.3.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.15.
15.Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:10322, r.o. 4.8.
16.Vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084.
17.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:237, r.o. 4.8.
18.HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331, r.o. 2.3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6989, r.o. 4.5.
19.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.28.
20.HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
21.HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
22.HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3603, r.o. 2.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5581, r.o. 4.29.
23.Vgl. HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358.
24.Vgl. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6988, r.o. 4.23.