Uitspraak
22.764 WLZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep ongegrond.
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene, een persoon met een verstandelijke beperking, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor stelde het pgb voor de jaren 2015-2018 lager vast en vorderde een bedrag van €74.148,36 terug wegens onrechtmatige besteding door een zorgverlener die fraudeerde. De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde de besluiten, waarbij zij de bescherming van de budgethouder te goeder trouw in de bestuursrechtelijke procedure benadrukte.
Het zorgkantoor ging in hoger beroep en stelde dat de rechtbank ten onrechte de bescherming van de budgethouder te goeder trouw in de bestuursrechtelijke fase plaatste, waardoor de mogelijkheden tot verhaal op derden werden beperkt. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het uitgangspunt van bescherming van budgethouders te goeder trouw, maar benadrukte ook het belang van de waarborgfunctie van de gewaarborgde hulp binnen het Wlz-pgb-stelsel.
De Raad oordeelde dat het bestuursrechtelijk systeem niet toestaat dat benadelende pgb-besluiten zonder gevolgen blijven bij niet-nakoming van pgb-verplichtingen door onbekwame budgethouders, omdat dit de fundamenten van het stelsel ondermijnt. De Raad verwierp het oordeel van de rechtbank dat het zorgkantoor niet aan de voorwaarde van ondertekening van een vaststellingsovereenkomst mocht verbinden en handhaafde de vaste rechtspraak dat de bescherming van de budgethouder te goeder trouw ook met de bestaande besluitvorming voldoende is gewaarborgd.
Het hoger beroep van het zorgkantoor werd gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van het zorgkantoor wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.