De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van 1 juli 2021 van het zorgkantoor tot handhaving van de intrekking en terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de jaren 2019 en 2020. De budgethouder was geïndiceerd voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) en had een pgb ontvangen waarmee zorg werd ingekocht bij betrokkene 1. Betrokkene 2 was benoemd als bewindvoerder en mentor van de budgethouder.
Naar aanleiding van fraudemeldingen trok het zorgkantoor het pgb in en vorderde het een bedrag van € 36.269,68 terug. Zowel de budgethouder, betrokkene 1 als betrokkene 2 maakten bezwaar tegen dit besluit. De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van betrokkene 1 en 2 gegrond, vernietigde het bestreden besluit en stelde dat zij belanghebbenden waren bij het besluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de budgethouder geen beroep heeft ingesteld en daarom niet als partij kan worden toegelaten. Betrokkene 1 en 2 zijn volgens de Raad geen belanghebbenden bij het intrekkings- en terugvorderingsbesluit, waardoor hun bezwaren niet-ontvankelijk hadden moeten worden verklaard. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, behalve de beslissingen over proceskosten en griffierecht. Het zorgkantoor wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene 2.