ECLI:NL:CRVB:2017:3290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- G.M.G. Hink
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Toepassing kostendelersnorm bij inwonende meerderjarige dochter met Wajong-uitkering bevestigd
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en woont samen met haar meerderjarige dochter die een Wajong-uitkering ontvangt en haar twee minderjarige kinderen. Het college heeft de bijstand van appellante verlaagd op basis van de kostendelersnorm, omdat zij een woning deelt met haar dochter. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is en slechts in zeer bijzondere situaties kan worden afgeweken. Mantelzorg aan de dochter en een schrijnende financiële situatie vormen geen grond voor afwijking. Ook het beroep op het recht op familieleven (artikel 8 EVRM Pro) en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) slaagt niet, omdat appellante onvoldoende heeft onderbouwd dat zij haar dochter en kleinkinderen uit huis moet plaatsen.
De Raad benadrukt dat de wetgever bewust mantelzorgsituaties niet heeft uitgezonderd van de kostendelersnorm en dat het doel van de norm niet alleen arbeidsparticipatie is. Het motiveringsgebrek in het bestreden besluit wordt gepasseerd omdat de inhoud van de norm niet is gewijzigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en wijst het hoger beroep af.