Uitspraak
18 408 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Nederlandse staatsburger, ontving bijstand samen met zijn partner, een Hongaarse EU-onderdaan. Het dagelijks bestuur wijzigde de bijstand per 1 september 2016 naar 50% van de gehuwdennorm omdat de partner haar rechtmatig verblijf in Nederland had verloren op 8 april 2014. Appellant maakte bezwaar tegen deze wijziging en stelde dat zijn partner rechtmatig verblijf had vanwege haar langdurige verblijf en dat de bijstand onvoldoende was afgestemd op hun situatie.
De rechtbank stelde vast dat het dagelijks bestuur terecht artikel 24 van Pro de Participatiewet toepaste en dat de bijstand niet hoefde te worden verhoogd omdat de partner als niet-rechthebbende partner werd aangemerkt. De rechtbank gaf het dagelijks bestuur wel de mogelijkheid om het motiveringsgebrek te herstellen via de bestuurlijke lus.
In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat het dagelijks bestuur terecht afging op de vaststelling van de staatssecretaris dat het rechtmatig verblijf van de partner was beëindigd. De Raad verwierp het beroep op het recht op gezinsleven en het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand. Ook was er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek tot schadevergoeding geweigerd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot verlaging van de bijstand wordt bevestigd.