Uitspraak
17 4616 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
30 juli 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1995, ontvangt bijstand volgens de norm voor een alleenstaande jongere. Vanaf zijn 21e is de kostendelersnorm toegepast omdat hij inwonend is bij zijn moeder, die als kostendelende medebewoner wordt aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en appellant ging in hoger beroep.
De Raad overweegt dat de kostendelersnorm wettelijk is voorgeschreven voor personen van 21 jaar of ouder die samenwonen met een kostendelende medebewoner. Appellants argument dat de norm niet moet gelden omdat hij niet kan werken, wordt verworpen. De wetgever heeft met de norm beoogd rekening te houden met gedeelde kosten en het behoud van de vangnetfunctie van de bijstand.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en op het eigendomsrecht volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM faalt, omdat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat hij onevenredig wordt belast. Tot slot is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die een individuele afstemming van de bijstand rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm op appellant en verklaart het hoger beroep ongegrond.