ECLI:NL:CRVB:2017:2087
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang en rechtspositie bij verblijf in buitenland met behoud van bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (thans Participatiewet) en meldde een verblijf in het buitenland van meer dan 28 dagen vanwege medische redenen. Het college gaf in een brief aan dat het verblijf langer dan toegestaan was en dat bijstand over die periode zou worden uitgesloten. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep stelde appellant dat de brief wel een besluit is en dat hij belang heeft bij een beoordeling omdat hij in de toekomst mogelijk langer in het buitenland wil verblijven met behoud van bijstand. De Raad oordeelde dat appellant voldoende procesbelang heeft omdat zijn situatie zich waarschijnlijk zal herhalen. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en besloot het beroep zonder terugwijzing af te doen.
De Raad bevestigde dat de brief een bestuurlijk rechtsoordeel is en geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, omdat het oordeel niet zelfstandig rechtsgevolg heeft. Het is niet onevenredig bezwarend om een geschil over de interpretatie van artikel 13 PW Pro via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit aan de bestuursrechter voor te leggen. Het beroep tegen het besluit van 16 februari 2015 werd ongegrond verklaard. Tot slot werd het college veroordeeld in de proceskosten en werd appellant het griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 16 februari 2015 wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank wordt vernietigd.