ECLI:NL:CRVB:2018:3940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsrecht bij langer verblijf in het buitenland en de aard van brieven als besluiten
Appellanten hadden het college geïnformeerd over hun voorgenomen verblijf van negen weken in het buitenland voor medische doeleinden en verzocht om behoud van bijstand gedurende deze periode. Het college stuurde daarop brieven waarin werd meegedeeld dat maximaal 28 dagen per jaar in het buitenland mag worden verbleven met behoud van bijstand.
Het college verklaarde de bezwaren tegen deze brieven niet-ontvankelijk omdat deze geen besluiten zouden zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten wel degelijk belang hebben bij een beoordeling, gezien de medische omstandigheden en mogelijke gevolgen voor toekomstige aanvragen.
De Raad oordeelde dat de brieven geen besluiten zijn over het recht op bijstand bij een langer verblijf dan 28 dagen. Een dergelijk besluit kan pas worden genomen als vaststaat dat betrokkene daadwerkelijk is vertrokken, de verblijfsduur bekend is en de maximale vakantieduur is overschreden. Tevens werd geoordeeld dat de brieven geen besluiten bevatten over toepassing van artikel 16 van Pro de Participatiewet, aangezien die beoordeling pas aan de orde is wanneer het recht op bijstand is beëindigd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brieven geen besluiten zijn en wijst het hoger beroep af.