ECLI:NL:CRVB:2018:3940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2018
Publicatiedatum
11 december 2018
Zaaknummer
17/1540 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Participatiewet
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van bijstandsrecht bij langer verblijf in het buitenland en de aard van brieven als besluiten

Appellanten hadden het college geïnformeerd over hun voorgenomen verblijf van negen weken in het buitenland voor medische doeleinden en verzocht om behoud van bijstand gedurende deze periode. Het college stuurde daarop brieven waarin werd meegedeeld dat maximaal 28 dagen per jaar in het buitenland mag worden verbleven met behoud van bijstand.

Het college verklaarde de bezwaren tegen deze brieven niet-ontvankelijk omdat deze geen besluiten zouden zijn. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat appellanten wel degelijk belang hebben bij een beoordeling, gezien de medische omstandigheden en mogelijke gevolgen voor toekomstige aanvragen.

De Raad oordeelde dat de brieven geen besluiten zijn over het recht op bijstand bij een langer verblijf dan 28 dagen. Een dergelijk besluit kan pas worden genomen als vaststaat dat betrokkene daadwerkelijk is vertrokken, de verblijfsduur bekend is en de maximale vakantieduur is overschreden. Tevens werd geoordeeld dat de brieven geen besluiten bevatten over toepassing van artikel 16 van Pro de Participatiewet, aangezien die beoordeling pas aan de orde is wanneer het recht op bijstand is beëindigd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brieven geen besluiten zijn en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

17.1540 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2017, 16/4918 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 20 november 2018
Zitting heeft: J.L Boxum als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J. Smolders
Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.J.M. Codrington

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Nadat appellanten aan het college hadden laten weten dat zij voor negen weken naar het buitenland wilden gaan in verband met medische doeleinden en om toestemming hadden gevraagd dit te doen met behoud van bijstand, heeft het college bij brieven van 1 juli 2014 en 14 juli 2014 (brieven) meegedeeld dat zij maximaal 28 dagen per jaar in het buitenland mogen verblijven met behoud van bijstand.
2. Bij besluit van 11 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de brieven niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat tegen de brieven geen bezwaar openstaat, omdat deze geen besluiten zijn.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. Anders dan het college heeft aangevoerd, hebben appellanten wel belang bij een beoordeling van het hoger beroep, nu zij, gelet op de medische gegevens, aannemelijk hebben gemaakt dat het resultaat in deze procedure van belang kan zijn bij een eventuele volgende aanvraag.
5. In de brieven heeft het college geen besluiten genomen over het recht op bijstand van appellanten na een langer verblijf dan 28 dagen in het buitenland. Een besluit over de gevolgen van een langer verblijf in het buitenland voor het recht op bijstand kan volgens vaste rechtspraak pas worden genomen indien duidelijk is dat de betrokkene is vertrokken, hoelang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden. Die situatie was ten tijde van de brieven niet aan de orde. Vergelijk de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2087.
6. Met de brieven heeft het college ook niet, zoals appellanten hebben aangevoerd, besluiten genomen om geen toepassing te willen geven aan artikel 16 van Pro de Participatiewet (PW). De vraag of een betrokkene op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de PW bijstand moet worden verleend, is pas aan de orde als vaststaat dat betrokkene geen recht heeft op bijstand. Ten tijde van de brieven hadden appellanten wel recht op bijstand. Nu de brieven geen besluiten zijn over het recht op bijstand zijn de brieven ook geen besluiten over de vraag of wegens dringende redenen toch bijstand wordt verleend. Een besluit over de verlening van bijstand wegens zeer dringende redenen kan pas aan de orde zijn nadat een besluit is genomen over het recht op bijstand.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J. Smolders (getekend) J.L. Boxum

LO