ECLI:NL:CRVB:2021:1421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijk rechtsoordeel over verblijf in buitenland en bijstand niet gelijk aan besluit
Appellant ontvangt bijstand en vroeg toestemming om met behoud van bijstand drie maanden in het buitenland te verblijven vanwege pijnklachten. Het college gaf in een brief toestemming tot 23 april 2018, maar waarschuwde dat verblijf daarna zonder toestemming zou leiden tot uitsluiting van bijstand.
Het college verklaarde het bezwaar tegen deze brief niet-ontvankelijk omdat het geen besluit zou zijn. De rechtbank oordeelde anders en gaf het college de gelegenheid om inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief een bestuurlijk rechtsoordeel is en geen besluit in de zin van de Awb, omdat het geen zelfstandig rechtsgevolg heeft zolang niet vaststaat dat appellant daadwerkelijk langer dan toegestaan in het buitenland verbleef. Het college had het bezwaar tegen de brief niet inhoudelijk mogen beoordelen. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad veroordeelt het college tot betaling van proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De zaak wordt terugverwezen zonder inhoudelijke beoordeling van de bezwaargronden.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd.