ECLI:NL:CRVB:2020:2264
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Brief over verblijf in buitenland geen besluit en geen recht op schadevergoeding
Appellant ontvangt bijstand en vroeg het college toestemming om voor medische behandeling zes maanden naar Turkije te gaan. Het college reageerde met een brief waarin werd aangegeven dat maximaal 28 dagen verblijf in het buitenland met behoud van uitkering is toegestaan en dat appellant deze termijn in het betreffende jaar al had benut.
Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief als een afwijzend besluit moest worden gezien of als een bestuurlijk rechtsoordeel dat onevenredig bezwarend was.
De Raad oordeelde dat rechtsgevolgen van verblijf in het buitenland pas intreden na feitelijke beoordeling van het verblijf en dat de brief slechts een reactie op een voorgenomen verblijf was, geen besluit. Ook was het niet onevenredig bezwarend om het geschil over het verblijf via een procedure over een eventueel toekomstig besluit te voeren.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de brief geen besluit is en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.