Uitspraak
2.Achtergrond
5.Niet tijdig beslissen
Het buiten behandeling laten van de aanvragen wegens onredelijk late indiening
7.De verbindendheid van de Verordeningen
- verklaart de beroepen met zaaknummers 15/815 en 16/1282, voor zover gericht tegen het buiten behandeling laten van de aanvragen gegrond, vernietigt het besluit van 29 november 2016, herroept de besluiten van 27 november 2015 en 10 maart 2016 en wijst de desbetreffende aanvragen af;
- verklaart de overige beroepen ongegrond;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante sub 1 een vergoeding voor immateriële schade van € 1.000,- te betalen;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellante sub 1 tot een bedrag van € 1.002,- en verweerder tot een bedrag van € 501,-;
- draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 331,- aan appellante sub 1 te vergoeden;
- veroordeelt verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid ieder voor de helft om aan appellanten sub 2 een vergoeding voor immateriële schade van € 125,- per appellante te betalen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellanten sub 2 tot een bedrag van in totaal € 751,50 en de minister van Justitie en Veiligheid tot een bedrag van € 250,50;
- draagt verweerder en de minister van Justitie en Veiligheid op ieder voor de helft het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 2 gezamenlijk te vergoeden;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellante sub 3 en appellante sub 4 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellante sub 3 en appellante sub 4 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;
- draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellante sub 3 en appellante sub 4 per appellante te vergoeden;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellanten sub 7 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellanten sub 7 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;
- draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 7 gezamenlijk te vergoeden;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid om aan appellanten sub 8 een vergoeding voor immateriële schade van € 250,- per appellante te betalen;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van appellanten sub 8 gezamenlijk tot een bedrag van € 501,-;
- draagt de minister van Justitie en Veiligheid op het betaalde griffierecht van € 334,- aan appellanten sub 8 gezamenlijk te vergoeden.