ECLI:NL:GHAMS:2015:2959
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- C.C. Meijer
- C.M. Aarts
- R.H. de Bock
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake terugvordering HbAG-heffingen en rechtsgang bestuursrechter
Dutch Flower Group B.V. (DFG) vordert terugbetaling van door haar en gelieerde ondernemingen betaalde HbAG-heffingen over de periode 2002-2011, stellende dat de heffingen onrechtmatig zijn omdat een rechtsgeldige grondslag ontbrak. De Staat der Nederlanden, rechtsopvolger van het Hoofdbedrijfschap Agrarische Groothandel (HbAG), voert verweer dat DFG niet-ontvankelijk is omdat zij niet op eigen naam mocht procederen en dat de bestuursrechter exclusief bevoegd is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de heffingen.
Het hof oordeelt dat DFG wel ontvankelijk is omdat zij duidelijk heeft gesteld namens haar vennootschappen op te treden en dat dit voor HbAG kenbaar was. De heffingen zijn publiekrechtelijke besluiten op grond van de Wet op de bedrijfsorganisatie en de bijbehorende verordeningen. Omdat bestuursrechtelijke rechtsgangen openstaan voor bezwaar en beroep tegen deze besluiten, kan de civiele rechter de onrechtmatigheid daarvan niet beoordelen zolang deze procedures niet zijn doorlopen.
DFG stelt dat de verordeningen onverbindend zijn wegens onjuiste totstandkoming en strijd met EU-recht, maar het hof stelt dat deze bezwaren in bestuursrechtelijke procedures moeten worden behandeld. Er is geen sprake van een situatie waarin de bestuursrechter de onrechtmatigheid reeds heeft vastgesteld of erkend, zodat de civiele rechter deze niet kan toetsen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van DFG af wegens het openstaan van bestuursrechtelijke rechtsgangen.