3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard, kortgezegd omdat verweerder geen aanleiding ziet om de opgelegde heffing te herzien en voorts omdat verweerder niet verplicht is om aan appellanten een eindnota op te leggen.
In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat appellanten de door hen verschuldigde heffing hebben afgedragen via de veiling. In die gevallen kon op vereenvoudigde wijze aangifte worden gedaan. In de Verordeningen over deze jaren is steeds een bepaling opgenomen waaruit volgt dat de heffingsplichtige aan zijn heffingsplicht heeft voldaan indien hij handelt via de veiling, de desbetreffende veiling de heffing heeft ingehouden, en de heffing is ontvangen door het productschap. In de jaren 1999 tot en met 2006 is het, mede gelet op deze bepaling, vaste praktijk geweest geen eindnota meer te versturen indien een bedrijfsgenoot volledig via de veiling handelde. Verweerder meende dat in die gevallen het toesturen van een nulnota zonder toegevoegde waarde was, omdat op de veilingnota’s al uitdrukkelijk stond vermeld hoeveel was afgedragen. Appellanten waren van die praktijk op de hoogte en wisten dat zij via de veiling op basis van een bestuursrechtelijke grondslag afdroegen.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aantal ondernemingen eindnota’s heeft ontvangen en dus geen belang heeft bij het beroep. Ondernemingen die zowel via de veiling als buiten de veiling om handelden hebben een eindnota ontvangen, waarin zowel het gedeelte aan heffing dat zij via de veiling hebben afgedragen als het gedeelte van de heffing via handel buiten de veiling om is opgenomen. Daarnaast zijn er appellanten die in sommige jaren wel en in andere jaren geen eindnota’s ontvingen. In de jaren waarin zij ook buiten de veiling om handelden, hebben zij eindnota’s van het productschap ontvangen.
Bij de brief van 31 augustus 2011 heeft verweerder een overzicht gevoegd waarop over de in geding zijnde periode is aangegeven welke appellanten wanneer een eindnota van verweerder hebben ontvangen en wanneer niet.
Met betrekking tot de appellanten die geen eindnota hebben ontvangen betoogt verweerder als volgt. Deze verzoeken zijn onredelijk laat ingediend. Het verzoek van appellanten moet gelijk worden gesteld aan een bezwaar tegen het niet tijdig beslissen als bedoeld in 6:12 Awb. Ingevolge het derde lid van dit artikel dient een dergelijk bezwaar niet-ontvankelijk te worden verklaard indien het onredelijk laat is ingediend. Appellanten hadden tijdig moeten verzoeken om eindnota’s. Appellanten meenden dat zij aan het eind van het jaar nog een eindnota zouden moeten krijgen. Het had op de weg van appellanten gelegen tijdig na te gaan of zij tegen de veilingnota’s op moesten komen of dat zij bezwaar konden maken tegen een eindnota. Appellanten hebben ten aanzien van de eerst opgelegde heffing zo’n tien jaar gewacht en ten aanzien van de laatst opgelegde heffing zo’n drie jaar.
De nota’s zijn verzonden via de veiling. Daarmee wisten appellanten dat zij heffing aan verweerder afdroegen; dit stond aangegeven op de veilingnota's. Verweerder kan niet worden verplicht thans nog een definitieve eindnota op te leggen, waarmee de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen opgelegde heffingen zou herleven. Dat zou ingaan tegen het beginsel van formele rechtskracht. Het verzoek is derhalve terecht afgewezen.
Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat in ieder geval niet aan het verzoek behoeft te worden voldaan voor zover de heffingen langer dan vijf jaar geleden zijn opgelegd. Het gaat dan om heffingen die zijn opgelegd voor 16 september 2004. De vorderingen ten aanzien van heffingen die daarvoor zijn opgelegd zijn verjaard. Appellanten waren bekend met het feit dat zij heffingen afdroegen en hadden dit binnen vijf jaar moeten terugvorderen.