ECLI:NL:RVS:2017:403
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatieverplichting luchtvaartmaatschappij
Appellant verzocht de staatssecretaris handhavend op te treden tegen Transavia Airlines wegens het niet betalen van compensatie voor een vertraagde vlucht volgens Verordening (EG) nr. 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat handhaving onevenredig was en later dat sprake was van buitengewone omstandigheden door een staking. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat de staatssecretaris wel bevoegd was om handhavend op te treden en compensatie af te dwingen. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog uitgebreid dat de bevoegdheid van de staatssecretaris op grond van de Wet luchtvaart niet strekt tot het individueel afdwingen van compensatiebetalingen door luchtvaartmaatschappijen. Dit oordeel is in lijn met eerdere uitspraken en het arrest van het Hof van Justitie van de EU.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van de staatssecretaris wegens strijd met artikel 11.15 van de Wet luchtvaart, maar liet de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand. Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten van de staatssecretaris worden vernietigd wegens onbevoegdheid tot individueel handhavend optreden, het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.