ECLI:NL:RVS:2016:1732
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A.C. Slump
- C.H.M. van Altena
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatieplicht luchtvaartmaatschappij
In deze zaak hebben appellant A en appellant B de staatssecretaris verzocht handhavend op te treden tegen Royal Air Maroc wegens het niet betalen van compensatie zoals voorgeschreven in Verordening (EG) nr. 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af, wat door appellanten werd aangevochten. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte van artikel 16 van Pro de Verordening.
Het Hof oordeelde dat de nationale instantie niet verplicht is in elk individueel geval handhavend op te treden om compensatie af te dwingen. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris op grond van de Wet luchtvaart niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden. Hierdoor werd het besluit van de staatssecretaris vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
Appellanten verzochten tevens om schadevergoeding wegens het oordeel van de Afdeling en wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling wees het verzoek om schadevergoeding wegens het oordeel van de Afdeling af wegens gebrek aan bevoegdheid en wees het verzoek wegens overschrijding van de redelijke termijn af omdat de procedure binnen de termijn van vijf jaar bleef.
Tot slot veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten. De zaak benadrukt de grenzen van bestuursrechtelijke handhaving bij individuele compensatieclaims onder de Verordening.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van handhaving wordt vernietigd.