ECLI:NL:RVS:2017:1282
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing handhavingsverzoek tegen luchtvaartmaatschappij Transavia
In deze zaak hebben [appellant] en anderen een verzoek ingediend bij de staatssecretaris om handhavend op te treden tegen Transavia Airlines wegens het niet betalen van compensatie voor vluchtvertraging volgens Verordening (EG) nr. 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af op basis van een beleidsregel dat handhaving niet mogelijk is bij klachten ouder dan een jaar. Het bezwaar tegen dit besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens vermeend ontbreken van een machtiging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Het hoger beroep richtte zich onder meer op de vraag of de staatssecretaris bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris niet bevoegd is tot handhaving in individuele gevallen, conform eerdere uitspraken en het arrest van het Hof van Justitie van de EU. Wel werd geoordeeld dat de machtiging voor vertegenwoordiging voldoende specifiek was en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar, verklaarde het bezwaar ongegrond vanwege onbevoegdheid van de staatssecretaris en wees verzoeken om schadevergoeding af. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De redelijke termijn voor de procedure werd niet overschreden, mede doordat de periode van het afwachten van prejudiciële vragen aan het Hof buiten beschouwing werd gelaten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard wegens onbevoegdheid van de staatssecretaris; verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen; proceskosten en griffierecht worden aan appellanten vergoed.