ECLI:NL:RVS:2016:1733
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- D.A.C. Slump
- J. Kramer
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatieplicht luchtvaartmaatschappijen
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft appellante verzocht om handhavend op te treden tegen KLM wegens het niet betalen van compensatie aan passagiers zoals voorgeschreven in Verordening (EG) nr. 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af, hetgeen door appellante werd aangevochten. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde in een verwijzingsuitspraak prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de reikwijdte van de handhavingsbevoegdheid van de staatssecretaris.
Het Hof beantwoordde dat artikel 16 van Pro de Verordening niet verplicht dat nationale instanties handhavend optreden in elk individueel geval van compensatieweigering door luchtvaartmaatschappijen. Op basis hiervan oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris niet bevoegd is om op verzoek van individuele passagiers handhavend op te treden. De Afdeling vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
Appellante verzocht tevens om schadevergoeding wegens het oordeel van de Afdeling en wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Afdeling wees het verzoek wegens het oordeel af wegens onbevoegdheid en wees het verzoek wegens overschrijding termijn af omdat de totale procedure binnen de redelijke termijn bleef. Tot slot veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd, waarbij de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.