ECLI:NL:RVS:2017:400
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid staatssecretaris tot handhaving compensatie luchtvaartpassagier volgens Verordening 261/2004
Appellant verzocht de staatssecretaris handhavend op te treden tegen Martinair wegens het niet betalen van compensatie voor een vertraagde vlucht volgens Verordening 261/2004. De staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat handhaving onevenredig was en dat buitengewone omstandigheden golden. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris niet bevoegd was tot handhaving, mede vanwege een arbitraal vonnis dat het recht op compensatie ontkende.
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU en wachtte de uitspraken af. Na behandeling van het hoger beroep bevestigde de Afdeling dat de staatssecretaris niet bevoegd is om in individuele gevallen handhavend op te treden om compensatie af te dwingen. Dit oordeel is in lijn met eerdere uitspraken en het arrest van het Hof van Justitie.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit van de staatssecretaris, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Verzoeken om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; schadevergoedingsverzoeken worden afgewezen en proceskosten worden toegewezen aan appellant.