ECLI:NL:RVS:2017:2084
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling misbruik van recht bij Wob-verzoeken inzake verkeersboetes
De korpschef van politie stelde verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van wederpartij buiten behandeling en verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht. Wederpartij had meerdere Wob-verzoeken ingediend met betrekking tot boetebeschikkingen van derden, waarbij de verzoeken vaag waren geformuleerd en kennelijk gericht op het verkrijgen van proceskostenvergoedingen.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde echter dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor misbruik van recht en verklaarde de beroepen gegrond. De korpschef stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het doel van een Wob-verzoek relevant is om misbruik van recht te beoordelen en dat de handelwijze van wederpartij en zijn gemachtigde, waaronder het indienen van veelvuldige en vaag geformuleerde verzoeken en het inschakelen van een gemachtigde voor het incasseren van proceskosten, misbruik van recht oplevert.
Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt de uitspraken van de rechtbank vanwege misbruik van recht bij Wob-verzoeken, waardoor de bezwaren niet-ontvankelijk zijn.