ECLI:NL:RVS:2016:1950
Raad van State
- Hoger beroep
- M. Vlasblom
- G.T.J.M. Jurgens
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens misbruik van recht bij Wob-verzoek inzake verkeersboete
Appellante verzocht het college om documenten openbaar te maken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met betrekking tot een verkeersboete opgelegd door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Het college heeft het verzoek deels ingewilligd en deels geweigerd. Na bezwaar en beroep werd het beroep door de rechtbank ongegrond verklaard. Appellante stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft tijdens de zitting vastgesteld dat het Wob-verzoek en het daarop volgende hoger beroep zijn gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheden zijn gegeven. De gemachtigde van appellante, een ervaren rechtsbijstandverlener, heeft bewust gekozen voor de Wob als grondslag, ondanks dat er specifiekere wettelijke bepalingen bestaan voor het opvragen van stukken in verkeersboeteprocedures. Het verzoek was vaag geformuleerd en maakte adequate besluitvorming door het college moeilijk.
De Raad van State oordeelt dat dit handelen misbruik van recht inhoudt, blijk gevend van kwade trouw, en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hiermee wordt het hoger beroep afgedaan zonder inhoudelijke behandeling van het geschil.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van het Wob-verzoek.