ECLI:NL:RVS:2016:2845

Raad van State

Datum uitspraak
3 oktober 2016
Publicatiedatum
26 oktober 2016
Zaaknummer
201508031/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 7:18 AwbWet openbaarheid van bestuur
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Misbruik van recht bij Wob-verzoek en hoger beroep door gemachtigde

In deze zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland inzake een Wob-verzoek. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van misbruik van recht.

De gemachtigde van appellant heeft het Wob-verzoek ingediend met als doel een administratief beroep tegen een verkeersboete te motiveren, terwijl hij als ervaren bestuursrechtadvocaat had moeten weten dat artikel 7:18, vierde lid, van de Awb de juiste grondslag is voor een dergelijk informatieverzoek. Bovendien was het verzoek vaag geformuleerd, wat onnodige discussie in vervolgprocedures uitlokt.

De Afdeling baseert haar oordeel mede op eerdere uitspraken waarin soortgelijke Wob-procedures met dezelfde gemachtigde als misbruik van recht werden aangemerkt. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens misbruik van bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en rechtsmiddelen in te stellen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van het Wob-verzoek en het instellen van hoger beroep.

Uitspraak

201508031/1/A3.
Datum uitspraak: 3 oktober 2016 AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 oktober 2015 in zaak nr. 15/1878 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren. Openbare zitting gehouden op 3 oktober 2016. Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.J. Borman voorzitter
Staatsraad mr. B.P. Vermeulen lid
Staatsraad mr. A.B.M. Hent rapporteur griffier: mr. T. Hartsuiker Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door U. de Wal, werkzaam bij de gemeente De Fryske Marren. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2015. De Afdeling
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daartoe overweegt zij het volgende. Het college heeft ter zitting aangevoerd dat het instellen van hoger beroep in deze zaak als misbruik van recht moet worden aangemerkt. De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak sprake is van aan [appellant] toe te rekenen misbruik door zijn [gemachtigde] van de wettelijke bevoegdheid om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) in te dienen en hoger beroep in te stellen. Dit oordeel is op de volgende feiten en omstandigheden gebaseerd: - de Afdeling heeft in een groot aantal uitspraken (onder meer de uitspraken van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2446, 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157, 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102, 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1585, 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1885 en ECLI:NL:RVS:2016:1884, 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1950 en ECLI:NL:RVS:2016:1957, en 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2312) ten aanzien van soortgelijke Wob-procedures als in deze zaak waarbij [gemachtigde] is betrokken, geoordeeld dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en een rechtsmiddel in te stellen; - [gemachtigde] voert als rechtsbijstandverlener veel procedures over Wob-verzoeken, waarbij hij veelvuldig gebruik maakt van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in deze zaak heeft gedaan; - [gemachtigde] heeft het verzoek om informatie in deze zaak kennelijk ingediend om een administratief beroep tegen een verkeersboete te kunnen motiveren, terwijl hij, gelet op zijn ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht, de Wob en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, moet worden geacht te weten dat niet de Wob, maar artikel 7:18, vierde lid, van de Awb de geëigende grondslag voor een dergelijk informatieverzoek is; - het is onduidelijk wat in het Wob-verzoek in deze zaak wordt bedoeld met "documenten die zien op scholing en bekwaamheid" en "andere documenten waarvan u bekend is dat deze betrekking hebben op de genoemde bestuurlijke aangelegenheid". Deze vaagheid van het verzoek maakt het op het verzoek te nemen besluit onnodig extra vatbaar voor discussie in vervolgprocedures. w.g. Borman w.g. Hartsuiker
voorzitter griffier 620.