Overwegingen
1. Eiser is een gedeelte van 2011, geheel 2012, 2013, 2014 en een gedeelte van 2015 als chauffeur werkzaam geweest voor [bedrijfsnaam 1] Limited ([bedrijfsnaam 1]). Uit dien hoofde heeft eiser over de onderhavige jaren buitenlandse inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten.
2. Op 10 mei 2011 is [bedrijfsnaam 1] te Cyprus opgericht. Zij sluit overeenkomsten met diverse in Nederland gevestigde vervoersondernemingen en met in Nederland wonende internationale vrachtwagenchauffeurs die voor deze ondernemingen werken. Deze chauffeurs werken op het grondgebied van twee of meer EU-lidstaten, maar verrichten geen substantieel gedeelte van hun werkzaamheden in Nederland.
3. [bedrijfsnaam 1] stelde zich op het standpunt dat zij de werkgever van de chauffeurs was en dat de Cypriotische socialezekerheidswetgeving van toepassing was. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelde zich op het standpunt dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing was en bleef op de chauffeurs, omdat na de tussenkomst van [bedrijfsnaam 1] vrijwel niets was veranderd in de relatie tussen de chauffeurs en hun in Nederland gevestigde oorspronkelijke werkgevers. Over dit geschil is geprocedeerd in de sociale zekerheidskolom.
4. Bij besluiten van oktober 2013 (de primaire besluiten) heeft de SVB zogenoemde A1-verklaringen afgegeven waarbij is meegedeeld dat op - onder meer - eiser met ingang van 2 oktober 2011 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Deze beslissing van de SVB (de A1-verklaring) heeft eiser aangevochten. Over dit geschil is geprocedeerd in de sociale zekerheidskolom, eerst via een bezwaarprocedure en vervolgens ook in beroep en in hoger beroep.
5. Eiser heeft ook tegen de aan hem voor de jaren 2011 tot en met 2015 opgelegde aanslagen IB/PVV bezwaar gemaakt. Die bezwaren zijn (mede) gericht tegen de toepassing van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op (een deel van) de (buitenlandse) inkomsten van eiser.
6. Verweerder heeft het eerste bezwaarschrift van eiser (tegen de aanslag IB/PVV 2011) ontvangen op 7 november 2014.
7. Op 31 maart 2015 is er telefonisch contact tussen de voormalig gemachtigde van eiser en de behandelend ambtenaar geweest. Tijdens dit telefoongesprek is het bezwaarschrift ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2011 mondeling gemotiveerd en is gesproken over de voortgang van de procedure. Van het telefoongesprek is door de Belastingdienst de volgende aantekening in het dossier van eiser opgenomen:
“31-3-15: TEL CONTACT MET [de voormalig gemachtigde van eiser]; BEZWAAR AANHOUDEN TOT UITSPRAAK RECHTBANK; HIJ GEEFT AAN DAT ER MEERDERE BEZWAREN ZIJN; IN GBV ALLEEN 1 JAAR !!!STUURT MIJ PER MAIL PLEITNOTA [de pleitnota inzake de beroepsprocedure in de sociale kolom], DEZE BIJGEVOEGD;”.
8. Op 7 april 2015 stuurt de behandelend ambtenaar, na telefonisch contact met de voormalig gemachtigde, een brief aan eiser waarin de behandelend ambtenaar bevestigt dat de verdere behandeling van het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2011 voor onbepaalde tijd wordt aangehouden. In deze brief staat – onder meer – het volgende vermeld:
“[…]
U stelt - onder verwijzing naar een lopende beroepszaak bij de Rechtbank Amsterdam - dat [eiser] gedurende voornoemde periode is onderworpen aan de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving.
[…]
Tot slot bevestig ik dat wij tijdens ons telefonisch onderhoud van hedenmiddag hebben afgesproken dat de beslistermijn op het bezwaar voor onbepaalde tijd wordt verlengd, zie artikel 7:10, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
9. In de navolgende ingediende bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PVV 2012 tot en met 2015 schrijft eiser telkens dat hij niet verplicht is tot het betalen van het bedrag van de aanslag, omdat
“de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan”.
De procedures in de sociale kolom
10. Bij besluiten van 09 juli 2014 heeft de SVB de bezwaren van - onder meer - eiser, tegen de primaire besluiten (de A1-verklaring(en)) ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten is zowel door de betrokken werknemers (waaronder eiser) als de vermeende werkgever beroep ingesteld.
11. De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen in haar uitspraak van 25 maart 2016ongegrond verklaard.
12. Tegen de uitspraak van rechtbank Amsterdam is hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in verband met die procedure(s) prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU (HvJ EU) gesteld, onder meer de vraag wie in dit bewuste geval als de werkgever is aan te merken. Het HvJ EU heeft in haar arrest van 16 juli 2020deze vraag ten nadele van de belanghebbenden (waaronder eiser) beantwoord.
13. De CRvB heeft vervolgens op 9 november 2020uitspraak gedaan en heeft daarin geoordeeld dat de SVB terecht de Nederlandse sociaalzekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op bewuste betrokkenen (de internationale vrachtwagenchauffeurs, waaronder eiser).
14. Tegen de uitspraak van de CRvB is geen cassatieberoep ingesteld, zodat deze uitspraak op 21 december 2020 (na afloop van de hoger beroepstermijn) in rechte is vast komen te staan.
De bezwaren tegen de IB/PVV
15. Verweerder heeft uiteindelijk op 10 oktober 2023 uitspraak op de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2015 gedaan. Daarbij heeft verweerder - met inachtneming van de voornoemde uitspraak van de CRvB - de bezwaren van eiser afgewezen en de belastingaanslagen en rentebeschikkingen gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij wel een vergoeding van immateriële schade (isv) wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend van € 3.000. Verweerder heeft voor de bezwaarfase geen proceskostenvergoeding toegekend.
16. In beroep is in geschil of de aanslagen terecht en zo ja, tot de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd. Daarbij is meer specifiek in geschil:
- voor alle jaren: of de heffing van de Nederlandse sociale zekerheidspremies geheel ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat niet het Nederlandse maar het Cypriotisch sociaal verzekeringsrecht van toepassing is, en, indien dit laatste niet het geval is, of de Nederlandse sociale zekerheidspremies niet bij eiser mogen worden geheven omdat die ook reeds bij de werkgever zijn (na)geheven;
- voor de jaren 2012 tot en met 2014: of eiser recht heeft op toepassing van de zogenoemde werkkostenregeling zodat uit dien hoofde het buitenlandse loon met respectievelijk 1,40% (2012) dan wel 1,5% (2013 en 2014) dient te worden verminderd;
- voor het jaar 2015: of ten onrechte geen rekening is gehouden met de tegemoetkoming voor werknemers in het internationaal verkeer dat de premies van 6,8% kunnen worden afgetrokken, zodat uit dien hoofde het belastbaar inkomen 6,8% lager dient te worden vastgesteld;
- voor alle jaren: of eiser recht heeft op een hogere isv dan aan hem is toegekend en of verweerder voor de bezwaarfase ook een proceskostenvergoeding had moeten toekennen.
Premieplicht Nederlandse sociale zekerheidspremies
17. Vast staat dat aan eiser een A1-verklaring is afgegeven waarbij is meegedeeld dat op eiser met ingang van 2 oktober 2011 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. Deze A1-verklaring is, nadat eiser daar rechtsmiddelen tegen heeft aangewend, in rechte in stand gebleven en onherroepelijk vast komen te staan, en is nadien ook niet ingetrokken. Dit betekent dat eiser in de gehele onderhavige periode (2011-2015) in Nederland premieplichtig was voor de sociale verzekeringen. De rechtbank verwerpt hierbij eisers standpunt dat in dit geval de A1-verklaring niet mag worden gevolgd. Eiser miskent daarbij dat noch verweerder, noch de belastingrechter die ruimte heeft. Immers, verweerder en de belastingrechter dienen de door SVB afgegeven A1-verklaring te volgen, zolang die verklaring niet is ingetrokken of ongeldig verklaard.Alles wat eiser in dit verband heeft aangevoerd en overgelegd, daaronder begrepen de bij zijn nader stuk overgelegde, door middel van een Woo-verzoek verkregen documenten (de WOO-documenten), doet aan het feit dat de A1-verklaring bindend is niet af en brengt de rechtbank dan ook niet tot een ander oordeel.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is daarbij ook geen sprake van een schending van het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. Immers, verweerder heeft de A1-verklaring gevolgd en eiser heeft rechtsmiddelen aangewend tegen die A1-verklaring. Niet valt in te zien hoe verweerder daarmee in strijd heeft gehandeld met het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. Eiser wijst in dit verband ook nog op de menselijke maat. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat voor zover eiser meent dat ten onrechte de menselijke maat aan de zijde van verweerder ontbreekt, waardoor de onderhavige wettelijke regeling in zijn geval onredelijk en onbillijk uitwerkt, hem dat ook niet kan baten, aangezien het de rechtbank ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene bepalingen niet is toegestaan de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te toetsen.
19. De rechtbank volgt eiser ten slotte ook niet in zijn stelling dat van hem geen Nederlandse sociale zekerheidspremies mogen worden geheven, omdat die ook bij de werkgever(s) zijn (na)geheven en dus sprake is van een onrechtmatige dubbele heffing. Eiser heeft dit uitgebreid gemotiveerd gesteld maar heeft dit, tegenover de eveneens uitgebreid gemotiveerde betwisting van verweerder in zijn pleitnota, niet aannemelijk gemaakt. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij in de gedingstukken, daaronder dus begrepen de WOO-documenten, geen concrete aanknopingspunten vindt dat bij eiser daadwerkelijk sprake van een dergelijke (ongeoorloofde) dubbele heffing.
Hoogte buitenlands loon: de werkkostenregeling (2012, 2013 en 2014)
20. Niet in geschil is dat bij het vaststellen van het buitenlands loon geen rekening is gehouden met de zogenoemde werkkostenregeling terwijl eiser wel recht heeft op toepassing daarvan, en dat in beginsel het voor deze jaren in aanmerking genomen buitenlandse loon in zoverre had mogen worden verminderd.
21. Partijen houdt verdeeld of deze vermindering alsnog moet worden toegepast (standpunt eiser), of dat dit niet hoeft omdat de omvang van het inkomen van [bedrijfsnaam 1] naar Nederlandse maatstaven ook dan nog niet tot te hoge bedragen in aanmerking is genomen (standpunt verweerder).
22. Verweerder heeft in dit verband aangevoerd dat bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2012, 2013 en 2014 ten onrechte rekening is gehouden met in Cyprus ingehouden sociale zekerheidsbijdragen (6,8% van het brutoloon), welke wel – en dus volgens verweerder ten onrechte – in mindering zijn gebracht op het brutoloon bij het bepalen van de buitenlandse inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking naar Nederlandse maatstaven. Dit overstijgt de vermindering uit hoofde van de werkkostenregeling waar eiser recht op heeft, zodat er geen aanleiding bestaat de aanslagen uit dien hoofde te verminderen.
23. Eiser stelt daartegenover dat bij het vaststellen van het buitenlandse loon rekening moet worden gehouden met én toepassing van de belastingvrije ruimte onder de werkkostenregeling én vermindering van het brutoloon met de in Cyprus ingehouden sociale zekerheidsbijdragen. Dus bestaat nog wel recht op een vermindering uit hoofde van de werkkostenregeling, aldus eiser. Voor het standpunt dat de in Cyprus afgedragen sociale zekerheidspremies terecht en rechtens op het belastbare loon in mindering zijn gebracht voert eiser de volgende twee hoofdargumenten aan:
a. Er is geen sprake van loon in de zin van artikel 10, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964). Eiser verwijst in dat kader naar een tweetal uitspraken van het hof Arnhem-Leeuwarden van 29 oktober 2024.
b. De mededeling van de staatssecretaris van 26 november 2020moet overeenkomstig worden toegepast op de situatie van eiser. Eiser wijst in dat kader naar een tweetal uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2025 en 22 april 2025.
Verweerder heeft deze standpunten gemotiveerd weersproken.
24. Wat betreft het eerste argument volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat voor zover zijn loon bestaat uit ingehouden premies in Cyprus er geen sprake is van loon. Anders dan het hof Arnhem-Leeuwardenis de rechtbank van oordeel dat eiser tegenover zijn werkgever uit hoofde van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft gehad op het bruto loon. Daarvan is een deel kennelijk ingehouden door de werkgever. Het is mogelijk dat dit achteraf gezien niet nodig was, hetgeen onverlet laat dat het genietingsmoment ten aanzien van het bruto loon dan al heeft plaatsgevonden. Dit sluit niet uit dat het feit dat het ten onrechte is ingehouden rechtsgevolgen zou kunnen hebben voor de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen eiser en zijn werkgever.
25. Met betrekking tot het beroep van eiser op – voor zover nodig – overeenkomstige toepassing van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 14 maart 2014(het Besluit 2014) en de aanvullingen ten aanzien van de onderzochte stelsels in de mededeling van 5 januari 2016(de Mededeling 2016) en de mededeling van 26 november 2020(de Mededeling 2020) overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat eiser verplicht verzekerd en premieplichtig is voor de sociale verzekeringen in Nederland (zie hiervoor onder 17.). Het Besluit 2014 en de Mededelingen 2016 en 2020 zien op de kwalificatie van buitenlandse sociale verzekeringen voor het bepalen van het loon van een werknemer die onder het socialezekerheidsstelsel van een ander land valt, maar in Nederland over dat loon belastingplichtig is. Dat doet zich ten aanzien van eiser niet voor. Eiser stelt dat het Besluit 2014 en de Mededelingen 2016 en 2020 naar de strekking moeten worden toegepast omdat de werkgever van eiser destijds (ten onrechte) premies heeft afgedragen in Cyprus (het buitenland). Het Besluit 2014 noch de Mededelingen 2016 en 2020 bieden daarvoor ruimte buiten de Wet LB 1964 en de Wet IB 2001 om. Eiser bevindt zich ook niet in vergelijkbare omstandigheden, hij is immers in Nederland sociaal verzekerd. De rechtbank verwerpt daarom, overeenkomstig Hof Den Haag in zijn uitspraak van 19 juni 2024in een vergelijkbaar geval, het beroep op (overeenkomstige) toepassing van het Besluit en de Mededelingen. Dat rechtbank Noord-Nederland in de door eiser aangehaalde uitspraken tot een ander oordeel is gekomen, brengt de rechtbank niet tot een andere – van de uitspraak van Hof Den Haag afwijkende – conclusie.
Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden
26. De verwijzing van eiser naar de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarendenkan hem ook niet baten, reeds omdat deze regeling inmiddels is vervallen en gold voor een specifieke groep Rijnvarenden gedurende een specifieke periode die hier niet van toepassing is.
Eiser heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan de in de Regeling gestelde toepassingsvereisten, terwijl ook naar de strekking deze Regeling niet op eiser van toepassing is. Zie in dit verband de Toelichting op de Regeling:
“Deze specifieke groep bestaat uit rijnvarenden die ten onrechte via hun werkgevers in een andere rijnoeverstaat premies hebben afgedragen maar in Nederland premies moeten afdragen omdat Nederland op basis van de directe toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst de aangewezen lidstaat is. De tegemoetkoming is gericht op rijnvarenden die de ten onrechte in de andere rijnoeverstaat afgedragen premies niet persoonlijk kunnen terugkrijgen uit de andere rijnoeverstaat omdat het teruggaveverzoek uitsluitend door de werkgever kan worden gedaan. Sommige werkgevers zijn inmiddels failliet waardoor verhaal van de premies via de werkgever niet meer mogelijk is. Voor de tegemoetkoming is niet relevant of de werkgever is gefailleerd of nog actief is. De inschatting is dat het een ingewikkeld en langdurig proces is om over de periode 1 mei 2010 tot en met 31 december 2015 schade vergoed te krijgen van werkgevers die nu nog actief zijn. Daarnaast is een faillissement een factor die buiten de invloedssfeer ligt van de rijnvarenden. Om die redenen is, in dit zeer specifieke geval, besloten dat rijnvarenden ook in aanmerking komen voor de regeling als zij voor een werkgever hebben gewerkt die nog actief is.”
27. Voor zover eiser hierbij een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, kan dat hem ook niet baten. Eiser wijst daarbij op de groep ‘Rijnvarenden’, voor wie volgens eiser wel een dergelijke aftrek is toegestaan. Eiser doet in dit verband, naar de rechtbank begrijpt, een beroep op de zogenoemde meerderheidsregel. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat voor een geslaagd beroep op de meerderheidsregel is vereist dat een groep gelijke gevallen wordt aangewezen en dat van die groep de helft plus één de ongelijke behandeling te beurt is gevallen. De bewijslast daarvan rust op eiser. Eiser heeft op zichzelf wel een groep van gelijke gevallen aangewezen, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat van die groep de helft plus één de ongelijke behandeling te beurt is gevallen. Er is dus geen sprake van een schending van de meerderheidsregel. Dat overigens sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel, is gesteld noch gebleken. Eiser heeft in ieder geval niet concreet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat voor de Rijnvarenden dan wel voor andere (vergelijkbare) internationale werknemers (zoals chauffeurs) een tegemoetkomende gedragslijn is gevolgd op een zodanige wijze en onder zodanige omstandigheden dat eiser redelijkerwijs mocht menen dat deze gedragslijn ook bedoeld was om te gelden in zijn situatie. Het gelijk is ook in zoverre aan verweerder.
28. Aldus is de rechtbank met verweerder van oordeel dat bij het omrekenen van het loon van [bedrijfsnaam 1] naar Nederlandse maatstaven geen rekening dient te worden gehouden met de in Cyprus ingehouden sociale zekerheidsbijdragen. Dit betekent ook dat, nu vaststaat dat hiermee – dus ten onrechte – bij de aanslagregeling wel rekening is gehouden, verweerder bij zijn uitspraken op bezwaar terecht toepassing van de belastingvrije ruimte
onder de werkkostenregeling heeft geweigerd op grond van het leerstuk van interne compensatie. Eisers standpunt dat dit niet kan, omdat verweerder daarmee in feite terug komt op zijn eerder bij de aanslagregeling ingenomen standpunt dat wél recht bestaat op de aftrek, is onjuist. Immers, verweerder neemt hiermee die verleende aftrek niet terug en komt hiermee ook niet terug op enige andere concrete toezegging of standpuntinname.
29. De rechtbank laat bij dit alles verder nog in het midden het ter zitting door verweerder ingenomen standpunt dat uit de door eiser voor 2012 en 2013 overgelegde loonstroken – voor de overige jaren heeft eiser geen loonstroken of andere gegevens omtrent het ontvangen loon overgelegd – kan worden afgeleid dat de genoten looninkomsten naar Nederlandse maatstaven hoger zijn dan oorspronkelijk in aanmerking is genomen en dat daarvan uitgaande zelfs al zou de werkkostenregeling daarop worden toepast, dan alsnog het buitenlandse loon niet te hoog zou zijn vastgesteld. Hoewel deze stelling en de daaraan ten grondslag gelegde redenering zoals door verweerder ter zitting uiteengezet de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt, gaat de rechtbank daaraan verder voorbij omdat het gelijk reeds om voorgaande redenen aan verweerder is. Om deze reden laat de rechtbank ook in het midden of deze stelling van verweerder tardief is, zoals eiser ter zitting heeft gesteld.
Hoogte buitenlands loon: tegemoetkoming aftrek 6,8% van de premies (2015)
30. Eiser stelt zich in dit verband op het standpunt dat voor dit jaar het buitenlands loon te hoog is vastgesteld, omdat volgens eiser ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat 6,8% van “de premies” als “gebruikelijke tegemoetkoming” op het loon in mindering kunnen worden gebracht. Eiser wijst er daarbij op dat weliswaar wordt gesteld dat dit een onverplichte tegemoetkoming is, maar dat deze in gevallen als de onderhavige werd toegepast, niet alleen bij chauffeurs in het internationaal verkeer maar ook bij Rijnvarenden. Daarbij wijst eiser erop dat deze tegemoetkoming ook over de jaren 2011 tot en met 2014 ten aanzien van eiser is toegepast.
31. Verweerder heeft daartegenover aangevoerd dat op eiser de bewijslast rust om
aannemelijk te maken dat het in de aangifte IB/PVV 2015 aangegeven – en tijdens de aanslagregelende fase gevolgde – buitenlandse loon van de buitenlandse werkgever ([bedrijfsnaam 1]) te hoog is. Daarbij wijst verweerder er op dat de bewuste jaaropgaaf 2015 niet door eiser is verstrekt en dat ook de loonstroken van [bedrijfsnaam 1] voor 2015 niet tot de gedingstukken behoren, zodat het niet mogelijk is om na te gaan of het aangegeven loon van [bedrijfsnaam 1] van € 7.968 al dan niet juist is. Onder die omstandigheden slaagt eiser niet in de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat het loon van [bedrijfsnaam 1] tot een te hoog bedrag is vastgesteld, aldus verweerder.
32. De rechtbank vindt het verweer van verweerder juist en doeltreffend en sluit zich daarbij aan. Eiser heeft geen bewijsmiddelen overgelegd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het loon van [bedrijfsnaam 1] tot een te hoog bedrag is vastgesteld, en slaagt daarmee niet in de in dat verband op hem rustende bewijst. Dat – naar eiser stelt – een dergelijke tegemoetkoming gebruikelijk is bij buitenlands loon en dat die ook in andere vergelijkbare gevallen alsook bij eiser over de jaren 2011 tot en met 2014 is toegepast, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat het door eiser aangegeven en door verweerder gevolgde (buitenlandse) inkomen over 2015 moet worden verlaagd. Daartoe dienen dan in ieder geval ook concrete bewijsmiddelen over de hoogte van het (buitenlandse) inkomen beschikbaar te zijn, welke hier ontbreken. Er bestaat dan ook geen aanleiding het (buitenlandse) loon in dit verband te verlagen. Dit geldt temeer daar de rechtbank hiervoor voor 2011 tot en met 2014 heeft geoordeeld dat voor die jaren in feite ook geen recht bestond op de bewuste tegemoetkoming, welke overwegingen en oordelen ook voor 2015 hebben te gelden. Dat op grond van het gelijkheidsbeginsel (meer specifiek de meerderheidsregel) wel recht op deze aftrek bestaat, heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt, reeds omdat onvoldoende gelijke gevallen zijn aangedragen of anderszins bekend zijn geworden op grond waarvan kan worden beoordeeld of inderdaad sprake is van een schending van de meerderheidsregel.
33. Tot slot stelt de rechtbank vast dat uit zowel de vooraankondiging- als de motivering van de uitspraak op bezwaar blijkt dat verweerder heeft erkend dat eiser in 2015 ook (naast het inkomen van [bedrijfsnaam 1]) inkomen van [bedrijfsnaam 2] GmbH ([bedrijfsnaam 2]) heeft ontvangen. Verweerder is met betrekking tot dit inkomen ervan uitgegaan dat de sociale zekerheidsplicht in de periode dat eiser voor deze werkgever werkzaam was conform de door eiser ingediende aangifte, Nederland is. Dat heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen doen, aangezien dit conform de aangifte van eiser is en er geen aanknopingspunten zijn dat dit desondanks een onjuiste aanname is. Eisers’ gemachtigde heeft in zijn stuk 29 april 2025 in dit verband aangevoerd dat [bedrijfsnaam 2] een Duitse onderneming is, gevestigd in Duitsland, en dat - aangezien vast staat dat er geen sprake is van substantiële werkzaamheden in Nederland - geldt dat op grond van artikel 13 van Basisverordening 883/2004 het Nederlands sociaal verzekeringsrecht niet van toepassing is, omdat er geen sprake is van een in Nederland gevestigde werkgever. Eiser’ gemachtigde verbindt daaraan de conclusie dat ook over 2015 de werkkostenregeling in mindering dient te worden gebracht. De rechtbank volgt eiser hierin niet, omdat dit haaks staat op de eigen aangifte van eiser en dit door eisers’ gemachtigde verder ook niet nader is geconcretiseerd of onderbouwd. De rechtbank vindt daarom in deze kale stellingen van eiser geen aanleiding aannemelijk te achten dat zijn aangifte op dit punt onjuist is en dat de sociale zekerheidsplicht in de periode dat eiser voor deze werkgever werkzaam was niet Nederland is.
34. De rechtbank stelt voorop dat verweerder de zaken in ieder geval voor wat betreft de isv terecht heeft aangemerkt als samenhangend, zodat terecht voor alle procedures gezamenlijk slechts één maal isv is toegekend. Daarbij overweegt de rechtbank dat de zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp en de bezwaren en de beroepen nagenoeg op gelijke gronden zijn ingediend en ook gelijktijdig zijn behandeld. De rechtbank hecht daarbij ook belang aan het feit dat, naar verweerder stelt en de rechtbank ook aannemelijk acht (zie ook hierna), de bezwaarprocedures zijn aangehouden op verzoek van, dan wel met instemming van eiser. De rechtbank verwerpt daarom het andersluidende standpunt van eiser, erop neerkomende dat hij per afzonderlijk jaar, of althans in ieder geval meer dan één maal recht heeft op een isv.
35. De rechtbank stelt vast dat het eerste bezwaarschrift bij verweerder is ingekomen op 7 november 2014. In het kader van de immateriële schadevergoeding heeft de Hoge Raad een termijn van 6 maanden voorop gesteld voor de afhandeling van een bezwaarschrift. Dat betekent dat deze redelijke termijn in beginsel afliep op 7 mei 2015. Sindsdien zijn tot het moment van doen van uitspraak op bezwaar (afgerond) 96 maanden verstreken.
36. De rechtbank is echter met verweerder van oordeel dat in het onderhavige geval aanleiding bestaat de redelijke termijn te verlengen, en wel met het tijdsbeslag dat is gemoeid met de procedures in de sociale zekerheidskolom. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij, gelet op de telefoonnotitie van het gesprek met eisers’ gemachtigde van destijds (zie hiervoor onder 7.), in samenhang bezien met de nadien verstuurde brief van verweerder van 7 april 2015 (zie hiervoor onder 8.) waarin melding wordt gemaakt van de lopende beroepsprocedure in de sociale zekerheidskolom en waarin wordt bevestigd dat tijdens een telefonisch onderhoud tussen verweerder en (de gemachtigde van) eiser op die dag is afgesproken dat de beslistermijn op het bezwaar voor onbepaalde tijd wordt verlengd, aannemelijk acht dat de bezwaarprocedure op verzoek van, dan wel met instemming van (de voormalig gemachtigde van) eiser is aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure in de sociale zekerheidskolom. Dit is een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016die de redelijke termijn verlengt.
Daarbij overweegt de rechtbank dat zij met verweerder ook aannemelijk vindt dat dit zich ook uitstrekt tot de bezwaarprocedures over de latere jaren. Dat leidt de rechtbank af uit de opmerking van eiser in ieder bezwaarschift dat hij de aanslag niet hoeft te betalen, omdat
‘de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan’, juist ook in samenhang bezien met de eerdere verzoeken en/of afspraken over aanhouding tot in de procedure in de sociale zekerheidskolom is beslist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de opmerkingen in de bezwaarschriften terecht zo uit mogen leggen.
De rechtbank volgt eisers’ nieuwe gemachtigde – die zelf destijds niet bij de bezwaarprocedures van eiser was betrokken en dus geen eigen wetenschap heeft omtrent de gang van zaken in dit verband – dus niet in zijn stelling dat die uitlatingen van eiser niet op die wijze mogen worden uitgelegd en dat eiser voor de latere jaren dus niet heeft verzocht om of ingestemd met aanhouding tot in de procedure in de sociale zekerheidskolom is beslist.
37. Verder is de rechtbank ook met verweerder van oordeel dat in dit verband niet enkel rekening moet worden gehouden met de periode waarbij de procedure bij de rechtbank Amsterdam aanhangig was – zoals eiser voor dat geval bepleit –, maar ook met de navolgende procedure bij de CRvB, inclusief de tijdspanne die gemoeid is geweest met het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Immers, met de uitspraak van 25 maart 2016 is nog niet finaal beslist op het geschil dat in de sociale zekerheidskolom is gevoerd, en was er dus nog geen (definitief) uitsluitsel over het geschil dat ook ten grondslag lag aan de bezwaren voor de IB/PVV. Verweerder heeft dus de redelijke termijn terecht verlengd met de duur van de vervolgprocedures.
38. Voor het onderhavige geval betekent dit het volgende.
De redelijke termijn voor de bezwaarfase dient te worden verlengd met de periode tussen het indienen van het oudste bezwaar - 7 november 2014 - en de uitspraak van de CRvB op 9 november 2020. De alsdan geldende redelijke termijn voor de bezwaarfase eindigt dan op 9 mei 2021. Nu op 10 oktober 2023 uitspraak op bezwaar is gedaan, is de redelijke termijn dus overschreden met 30 maanden. Daarvan uitgaande had eiser bij het doen van uitspraak op bezwaar recht op een isv van € 2.500 (5 x € 500).
39. Het vorenstaande betekent dat de aan eiser bij de uitspraken op bezwaar toegekende isv in ieder geval niet te laag is.
40. Wel bestaat inmiddels recht op een aanvullende isv vanwege de additionele overschrijding van de redelijke termijn door de duur van de beroepsprocedure. Nu de rechtbank op 7 december 2025 uitspraak doet, is, uitgaande van de ontvangst van het eerste bezwaarschift op 7 november 2014 en de verlenging van de redelijke termijn zoals weergegeven onder 38. (waarbij is geoordeeld dat de redelijke termijn voor de bezwaarfase eindigde op 9 mei 2021 en dus, uitgaande van 1,5 jaar voor de beroepsprocedure, de totale redelijke termijn eindigde op 9 november 2022), de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk uiteindelijk overschreden met afgerond 37 maanden. Daarvan uitgaande heeft eiser recht op een isv van € 3.500 (7 x € 500).
41. Nu aan eiser bij de uitspraken op bezwaar reeds een isv van € 3.000 is toegekend, volstaat de rechtbank met toekenning van het resterende bedrag van € 500, volledig te vergoeden door de Staat.
Kostenvergoeding bezwaarfase
42. De rechtbank volgt eiser verder ook niet in zijn standpunt dat de beroepen in zoverre gegrond zijn daar verweerder bij de bestreden uitspraken op bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Immers, bij de uitspraken op bezwaar zijn de bestreden besluiten (de aanslagen) volledig in stand gebleven. Onder die omstandigheden bestaat geen aanleiding een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toe te kennen. Dat bij de uitspraken op bezwaar wel een isv is toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, maakt dat niet anders. Dat enkele feit maakt niet dat wel een proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
43. Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard.
44. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn die voortvloeit uit de beroepsprocedure reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023.Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 340,13 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 907, een wegingsfactor 0,25 en een factor 1,5 wegens samenhang).
45. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024bestaat geen aanleiding over te gaan tot vergoeding van griffierecht. Het in dat arrest opgenomen overgangsrecht is hier niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor de beroepsfase op de datum van dit arrest niet was overschreden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 december 2025.
Afschrift verzonden aan partijen op: