ECLI:NL:RBDHA:2022:6587

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 maart 2022
Publicatiedatum
7 juli 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2080
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EVRMArt. 6:162 BW
Verwijzingen
19 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling box 3-heffing over 2014 en 2015 in belastingzaak erfgenaam

De erfgenaam heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2014 en 2015, specifiek gericht op de box 3-heffing. De rechtbank heeft het bezwaar onderzocht en vastgesteld dat de aanslagen correct zijn opgelegd op basis van de door erflaatster opgegeven bezittingen en inkomsten.

De rechtbank heeft de jurisprudentie van de Hoge Raad over de box 3-heffing betrokken, waarin is geoordeeld dat de heffing over deze jaren op stelselniveau in strijd kan zijn met artikel 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) indien het rendement lager is dan 1,2%. Echter, de rechter past terughoudendheid en toetst alleen of sprake is van een individuele en buitensporige last. In deze zaak heeft de erfgenaam niet aannemelijk gemaakt dat deze last zich sterker voordoet dan bij andere belastingplichtigen.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het arrest van de Hoge Raad van december 2021 niet inhoudt dat de vermogensrendementsheffing met terugwerkende kracht moet worden afgeschaft of terugbetaald. Ook is geen sprake van een motiveringsgebrek of schending van beginselen van behoorlijk bestuur door de Belastingdienst.

De rechtbank heeft daarom de beroepen ongegrond verklaard, maar wel het betaalde griffierecht van 48 euro aan de erfgenaam terugbetaald. Een schadevergoeding is niet toegekend omdat de erfgenaam en erflaatster gezamenlijk procedures voerden en de schadevergoeding reeds in andere zaken is toegekend.

De uitspraak is gedaan door rechter A.D. van Riel op 1 maart 2022 in aanwezigheid van griffier S.R.M. Dekker.

Uitkomst: De beroepen tegen de box 3-heffing over 2014 en 2015 zijn ongegrond verklaard en het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/2079 en SGR 20/2080

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

1 maart 2022 in de zaken tussen

De erfgenaam van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 3 februari 2020 op het bezwaar van erflaatster tegen de voor de jaren 2014 en 2015 aan haar opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2022.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [A] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Erflaatster heeft voor de jaren 2014 en 2015 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.524 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.451 (2014) en naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.211 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.784 (2015). Volgens de aangiften had erflaatster in de onderhavige jaren de volgende bezittingen:
2014 2015
Bank-en spaartegoeden: € 531.130 € 560.365
Aandelen, obligaties e.d.:
€ 51.308 € 30.569
€ 582.438 € 590.934
2. Erflaatster heeft in de onderhavige jaren € 0 (2014) en € 136 (2015) aan dividenden ontvangen en € 9.864 (2014) en € 8.132 (2015) aan rente ontvangen.
3. Aan erflaatster zijn over de jaren 2014 en 2015 aanslagen IB/PVV opgelegd. De aanslag 2014 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van
€ 23.524 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.451, waarvan de te betalen heffing box 3 € 6.735 bedraagt. De aanslag 2015 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.211 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 22.784, waarvan de te betalen heffing box 3 € 6.835 bedraagt.
4. In geschil is de box-3 heffing over de jaren 2014 en 2015.
5. De Hoge Raad heeft met betrekking tot het geschil tussen erflaatster en verweerder over de box 3-heffing over de jaren 2001 tot en met 2013 reeds uitspraak gedaan. [1] Gelet hierop, doet de rechtbank geen uitspraak over de box 3-heffing over die jaren.
6. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 14 juni 2019 [2] geoordeeld dat voor de jaren 2013 en 2014 de heffing van inkomstenbelasting over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, mede gelet op het tarief, op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor die jaren lager is dan 1,2 procent. De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat met een dergelijke schending op stelselniveau een rechtstekort gepaard gaat waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. De rechter past dan ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter voor die jaren is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 van Pro het EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 29 mei 2020 [3] in vergelijkbare zin geoordeeld over de verschuldigde inkomstenbelasting over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in het jaar 2015. De rechtbank ziet in al hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om in dit specifieke geval af te wijken van hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in voornoemde arresten.
7. Van een individuele en buitensporige last is sprake, indien en voor zover deze last zich in het geval van de betrokken belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. [4] Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last moeten de gevolgen van de heffing van inkomstenbelasting over het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokken belastingplichtige. [5] De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt. [6]
8. Eiser heeft met hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd en, gelet op de financiële situatie van erflaatster in de onderhavige jaren, niet aannemelijk gemaakt dat de over de onderhavige jaren verschuldigde vermogensrendementsheffing voor erflaatster, in vergelijking met andere belastingplichtigen, een individuele en buitensporige last vormde. Met inachtneming van het inkomen uit werk en woning, haar vermogenspositie en de daarop behaalde rendementen (volgens de eigen opgave van eiser) in de onderhavige jaren acht de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt dat erflaatster op haar vermogen heeft moeten interen om de box 3-heffing over de onderhavige jaren te voldoen. [7]
9. Anders dan eiser meent, kan uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, niet worden afgeleid dat de vermogensrendementsheffing met terugwerkende kracht, en dus voor de onderhavige jaren, afgeschaft moet worden totdat er een nieuwe regeling is en dat de vermogensrendementsheffing over de onderhavige jaren door verweerder moet worden terugbetaald.
10. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de uitspraken op de bezwaren niet berusten op een deugdelijke motivering.
Evenmin heeft eiser, met hetgeen hij heeft aangevoerd, aannemelijk gemaakt dat verweerder enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
11. Al het overige dat eiser nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Gelet hierop zijn de beroepen ongegrond verklaard.
Vergoeding immateriële schade
12. Nu erflaatster en eiser, tot aan het overlijden van erflaatster op 17 juni 2020, samen de procedures in de onderhavige zaken en de zaken van eiser met zaaknummers SGR 20/2071, SGR 20/2074, SGR 20/2075 hebben gevoerd, al die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op dezelfde onderwerpen en die zaken gezamenlijk in de bezwaarfase en ter zitting zijn behandeld en eiser enig erfgenaam van erflaatster is, ziet de rechtbank aanleiding de toe te kennen schadevergoeding zodanig te matigen, in die zin dat de berekende schadevergoeding enkel wordt toegekend in de zaken van eiser met zaaknummers SGR 20/2071, SGR 20/2074, SGR 20/2075. [8] Gelet hierop, heeft de rechtbank in de onderhavige zaken geen schadevergoeding toegekend. Wel dient het in deze zaken betaalde griffierecht van € 48 te worden terugbetaald.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.