ECLI:NL:PHR:2026:720

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/04263
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 lid 1 FwArt. 68 lid 2 FwArt. 68 lid 3 FwArt. 42 e.v. FwArt. 49 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid curator tot procederen voor individuele schuldeisers in faillissement

In deze zaak verzoeken curatoren in het faillissement van CARe Schadeservice B.V. een machtiging om namens 118 individuele schuldeisers een procedure te starten tegen Rabobank en een andere belanghebbende wegens schadevergoeding. De rechter-commissaris en rechtbank wijzen dit verzoek af, omdat procederen voor individuele schuldeisers niet tot de wettelijke taak van de curator behoort op grond van art. 68 lid 1 Faillissementswet Pro (Fw).

De curatoren voeren in cassatie aan dat zij op basis van overeenkomsten van lastgeving bevoegd zijn om voor deze individuele schuldeisers op te treden en dat de opbrengst van de procedure uitsluitend aan deze schuldeisers toekomt. De Hoge Raad overweegt dat de jurisprudentie, waaronder de arresten Butterman q.q./Rabobank en Bannenberg q.q., duidelijk maakt dat de curator slechts bevoegd is om voor de gezamenlijke schuldeisers op te treden en dat optreden voor een beperkte groep individuele schuldeisers buiten de wettelijke taak valt.

De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat er geen grond is om van deze jurisprudentie terug te komen. Ook het argument dat de curator beter geëquipeerd is om voor individuele schuldeisers op te treden en dat de kosten worden voorgeschoten door de boedel, leidt niet tot een andere uitkomst. De rechtbank heeft het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico terecht met enige terughoudendheid getoetst. De curatoren hebben geen belang bij het bestreden onderdeel over de aansprakelijkheid van de belanghebbende bestuurder.

De uitspraak bevestigt de strikte scheiding tussen de taak van de curator om de gezamenlijke schuldeisers te behartigen en het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het optreden namens individuele schuldeisers, ook niet op basis van lastgevingsovereenkomsten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de curatoren wordt verworpen; zij zijn niet bevoegd om namens individuele schuldeisers te procederen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04263
Zitting10 juli 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
1. H. Dulack, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CARe Schadeservice B.V.,
2. L.L. de Boef, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van CARe Schadeservice B.V.,
verzoekers tot cassatie,
advocaat: S.M. Kingma
tegen
1. Coöperatieve Rabobank U.A.,
belanghebbende,
advocaten: J.W.M.K. Meijer en E.C.L. van de Langerijt
2. [belanghebbende] ,
belanghebbende,
advocaten: T.T. van Zanten en L. van den Reek
Verzoekers tot cassatie worden hierna aangeduid als de curatoren en belanghebbenden als Rabobank respectievelijk [belanghebbende] . De schuldenaar in wiens faillissement de curatoren optreden wordt aangeduid als CARe.

1.Inleiding

De curatoren vragen in deze procedure een machtiging op de voet van art. 68 lid 3 Fw Pro om te procederen tegen Rabobank en [belanghebbende] ten behoeve van 118 schuldeisers, met welke schuldeisers de curatoren overeenkomsten van lastgeving hebben gesloten. De rechter-commissaris heeft het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft die beslissing bevestigd. Belangrijkste grond voor de afwijzing is dat procederen voor individuele schuldeisers niet behoort tot de wettelijke taak van de curator ex art. 68 lid 1 Fw Pro. De curatoren menen dat deze grond de afwijzing niet kan dragen. Ze leggen dit standpunt ook in cassatie voor.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: [1]
(i) CARe is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 9 januari 2017 in staat van faillissement verklaard. Bij het vonnis zijn de curatoren als zodanig aangesteld.
(ii) De curatoren willen een gerechtelijke procedure starten tegen Rabobank en [belanghebbende] . Daarin willen zij schadevergoeding vorderen voor 118 schuldeisers van CARe. Deze schuldeisers hebben volgens de curatoren schade geleden doordat zij in de twaalf maanden voor het faillissement van CARe een onverhaalbare vordering op CARe hebben gekregen of hun onverhaalbare vordering is toegenomen. De totale schade van deze schuldeisers zou € 2.407.675 zijn. Het verwijt aan Rabobank is dat zij deze vorderingen heeft laten ontstaan door de financiering met CARe uit te breiden, terwijl zij wist of had moeten weten dat CARe geen reëel toekomstperspectief meer had en dus waarschijnlijk failliet zou gaan. Het verwijt aan [belanghebbende] is dat hij de exploitatie van CARe heeft voortgezet met diezelfde wetenschap.
(iii) De schade waarvan de curatoren vergoeding willen vorderen, is niet geleden door de gezamenlijke schuldeisers van CARe, maar uitsluitend door een specifieke groep schuldeisers. De curatoren hebben onderkend dat zij daarom zelf geen vordering tegen Rabobank of [belanghebbende] kunnen instellen. Omdat de curatoren vreesden dat de vorderingen zouden verjaren, hebben zij op 16 februari 2021 van de rechter-commissaris toestemming gekregen voor het aangaan van overeenkomsten met deze schuldeisers. De curatoren hebben de betreffende schuldeisers aangeboden om op basis van lastgeving voor hen op te komen jegens Rabobank en [belanghebbende] . In totaal 118 concurrente schuldeisers hebben een overeenkomst van lastgeving gesloten met de curatoren.
(iv) De overeenkomsten houden het volgende in. De kosten van de procedure komen niet voor rekening van de boedel, maar voor rekening van de benadeelde schuldeisers voor wie de curatoren op basis van lastgeving optreden. Maar deze kosten worden wel voorgeschoten door de boedel. Bij een positief resultaat worden uit de bruto-opbrengst van de procedure eerst de door de boedel voorgeschoten kosten terugbetaald. Daarbovenop ontvangt de boedel een ‘success fee’ als vergoeding voor het procesrisico. De vervolgens resterende netto-opbrengst van de procedure wordt niet aan het boedelactief toegevoegd, maar wordt rechtstreeks uitgekeerd aan de benadeelde schuldeisers. [2]
2.2
Bij het deze procedure inleidende verzoekschrift van 25 november 2024 hebben de curatoren de rechter-commissaris op de voet van art. 68 lid 3 Fw Pro verzocht om een machtiging om een gerechtelijke procedure te starten tegen Rabobank en [belanghebbende] om een schadevergoeding voor genoemde 118 schuldeisers van CARe te vorderen. [3]
2.3
Bij beschikking van 16 mei 2025 heeft de rechter-commissaris het verzoek afgewezen. [4] De kantonrechter achtte het procesrisico te hoog (rov. 5.9). Daarbij nam hij met name in aanmerking dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, niet zeker is of curatoren op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers (rov. 5.4).
2.4
De curatoren hebben tegen de beschikking van de rechter-commissaris hoger beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij beschikking van 12 november 2025 heeft de rechtbank de beslissing van de rechter-commissaris onder aanvulling van gronden bevestigd. [5]
De rechtbank heeft overwogen dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, niet zeker is of curatoren op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers, en dat aan het procederen daarom een hoog procesrisico is verbonden (rov. 4.12-4.14). Evenals de kantonrechter heeft de rechtbank in verband daarmee het procesrisico te hoog geacht om een machtiging te verlenen (rov. 4.17).
Omdat de beschikking van de rechtbank niet de naam van de rechter vermeldde die de beschikking heeft gegeven, heeft de rechtbank die naam bij herstelbeschikking van 9 december 2025 alsnog aan de beschikking toegevoegd. [6]
2.5
De curatoren hebben tijdig cassatieberoep ingesteld van de beschikking van de rechtbank. [7] Rabobank en [belanghebbende] hebben als belanghebbenden ieder een verweerschrift strekkende tot verwerping van het cassatieberoep ingediend.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel bevat vijf onderdelen, die I-V zijn genummerd. [8] De onderdelen I-III keren zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.13-4.14 dat, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad, niet zeker is of curatoren op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers, en dat aan het procederen daarom een hoog procesrisico is verbonden. Onderdeel IV bevat een voortbouwklacht, die geen bespreking behoeft. Onderdeel V keert zich tegen de terughoudendheid waarmee de rechtbank in rov. 4.15 het oordeel van de rechter-commissaris heeft getoetst en de uitkomst daarvan wat betreft de aansprakelijkheid van [belanghebbende] .
Toetsingskader
3.2
Over de maatstaven die bij de beslissing tot het verlenen van een procesmachtiging ex art. 68 lid 3 Fw Pro zijn te hanteren, heeft de rechtbank in cassatie onbestreden het volgende overwogen (voetnoten weggelaten):
“4.6 Bij de beoordeling van een verzoek op grond van artikel 68 lid 3 Fw Pro moet de rechter-commissaris inschatten in hoeverre het wenselijk is om een procedure te starten. Daarbij moet hij zich in de eerste plaats laten leiden door het belang van de boedel. Daarbij wordt onder meer gekeken naar:
 de proceskansen
 de te verwachten opbrengst (zowel wat betreft de uitkomst van de procedure als de verhaalsmogelijkheden)
 de kosten en risico’s van een procedure (bijvoorbeeld kostenveroordeling en eventuele tegenvorderingen) en
 andere omstandigheden die van belang zijn bij het beheer en de vereffening van de boedel, zoals in dit geval het belang van een voortvarende afwikkeling van het faillissement van CARe en een efficiënte bestrijding van verhaalsbenadeling.” [9]
Deze overweging – die me juist lijkt – vormt in cassatie dus uitgangspunt.
De door de onderdelen I-III bestreden overwegingen
3.3
De onderdelen I-III bestrijden rov. 4.13-4.14. In rov. 4.12-4.14 heeft de rechtbank overwogen (opnieuw voetnoten weggelaten):
“4.12 Beroepsgrond 4 richt zich tegen het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico dat de curatoren niet ontvankelijk zullen zijn in de bodemprocedure. De curatoren hebben van de 118 schuldeisers een lastgeving ontvangen om Rabobank en [belanghebbende] aansprakelijk te stellen voor hun schade en die te incasseren. In de beschikking overweegt de rechter-commissaris dat de constructie van lastgeving voor een beperkte groep schuldeisers een (hoog) procesrisico oplevert. Zo overweegt de rechter-commissaris:

In dit geval speelt daarbij een rol dat naar de huidige stand van de jurisprudentie de Curatoren niet op basis van een overeenkomst mogen procederen voor een beperkte groep schuldeisers. Aan Curatoren kan worden toegegeven dat de arresten van de Hoge Raad ruimte laten voor de mogelijkheid dat zij voor een groep individuele schuldeisers mogen optreden op basis van lastgeving, als de opbrengsten van de procedure maar aan die schuldeisers toekomen en niet via de boedel worden verdeeld. De Curatoren hebben gewezen op de discussie die daarover in de rechtspraak en literatuur wordt gevoerd. Een inhoudelijke beslissing op dit punt hoort thuis in een procedure voor de gewone civiele rechter en kan niet worden beslecht in het kader van de beoordeling van het onderhavige verzoek.Wel is in deze discussie een procesrisico gelegen”[onderstreping rechtbank]
4.13
De rechter-commissaris heeft terecht geoordeeld dat aan het procederen op basis van lastgeving namens individuele schuldeisers een hoog procesrisico verbonden is. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de curator ook bevoegd is voor belangen van schuldeisers op te komen bij benadeling door de gefailleerde. In zo een geval mag de curator onder omstandigheden een vordering tot schadevergoeding instellen tegen een derde die bij de benadeling van schuldeisers betrokken is, ook al kwam die vordering niet aan de gefailleerde zelf toe. Maar dit kan alleen als de vordering wordt ingesteld voor de gezamenlijke schuldeisers en dus niet voor een beperkte groep individuele schuldeisers. Dit laatste valt namelijk niet onder de beheertaak van curator, aldus de Hoge Raad in de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt dus te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers niet tot de wettelijke taak van de curator hoort. Optreden voor een beperkte groep schuldeisers is wel wat de curatoren van plan zijn te doen. De schadevordering die de curatoren willen instellen is niet voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor 118 individuele schuldeisers.
4.14
Wat hun zaak volgens de curatoren anders maakt, is dat:
1. de curatoren een last hebben om op te komen voor de 118 schuldeisers,
2. de netto-opbrengst van de procedure alleen bij de benadeelde schuldeisers (de 118 schuldeisers) komt, en niet ook bij de niet-benadeelde boedelschuldeisers,
3. het de enige manier is waarop benadeelde schuldeisers hun schade vergoed krijgen.
De curatoren onderbouwen onvoldoende waarom deze omstandigheden ertoe zouden moeten leiden dat het procesrisico niet hoog is. Zo werd in het arrest
Butterman q.q./Rabobankeen vordering ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht. Dat dit voor een last anders zou zijn dan voor een volmacht ligt niet erg voor de hand. Dit verschil doet niet af aan het uitgangspunt dat de Hoge Raad lijkt te hanteren (alleen gezamenlijke schuldeisers). Ook de omstandigheid dat de netto-opbrengst van de procedure bij de benadeelde schuldeisers komt en niet in de boedel valt, geeft geen lager procesrisico. De Hoge Raad heeft namelijk expliciet geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst “
niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid vordering als de onderhavige van de curator een vordering als de onderhavige in te stellen". Ook de laatste omstandigheid (er is voor deze schuldeisers geen andere manier om hun schade te verhalen) geeft geen ander oordeel. De curatoren hebben onvoldoende onderbouwd waarom de schade van de individuele schuldeisers te laag zou zijn om zelf een procedure te kunnen starten. Met een gestelde schade van € 2.407.675 ligt dat niet erg voor de hand. Rabobank heeft verder onweersproken aangevoerd dat 6 van de 118 schuldeisers substantiële vorderingen hebben. De curatoren hebben een uitgebreid onderzoek gedaan, waarvan deze schuldeisers zo nodig gebruik zouden kunnen maken in een procedure tegen Rabobank en/of [belanghebbende] . Ten slotte is door de curatoren nog verwezen naar literatuur en jurisprudentie van vóór de arresten van de Hoge Raad
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank. Het had op de weg van de curatoren gelegen om toe te lichten waarom deze literatuur en jurisprudentie nog actueel is. De Hoge Raad heeft immers in
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankanders geoordeeld dan [in] de door de curatoren aangehaalde jurisprudentie en literatuur is gedaan.”
Klachten onderdelen I-III
3.4
Onderdeel Iklaagt dat de rechtbank in rov. 4.13-4.14 ten onrechte tot het oordeel komt dat (de r-c terecht geoordeeld heeft dat) aan het procederen op basis van lastgeving namens individuele schuldeisers een hoog procesrisico verbonden is. De rechtbank heeft miskend dat de curator niet alleen onder omstandigheden bevoegd is voor de gezamenlijke schuldeisers een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen een bij benadeling van die schuldeisers door de gefailleerde betrokken derde, maar dat de curator ook (onder omstandigheden) bevoegd kan zijn dat te doen voor een beperkte groep individuele schuldeisers. Althans geldt dat, volgens het onderdeel, (in beginsel) in een geval als het onderhavige, waarin de curator zijn bevoegdheid die vordering in te stellen ontleent aan een overeenkomst van lastgeving met de betrokken individuele schuldeisers, althans waarin bovendien de (netto-)opbrengst van die vordering niet in de boedel vloeit en uitsluitend ten goede komt van die individuele schuldeisers/lastgevers. Althans geldt dat als er onder de omstandigheden van het geval (feitelijk) geen andere, voldoende (vergelijkbare) effectieve mogelijkheden zijn voor de benadeelde schuldeisers of lastgevers om in rechte vergoeding van de door hun benadeling geleden schade te vorderen.
Het voorgaande geldt volgens het onderdeel evenzeer of zelfs juist in een geval als het onderhavige waarin de proceskosten worden voorgeschoten vanuit de boedel en daartegenover een success fee staat, zodat bij een gunstige uitkomst voor de individuele schuldeisers/lastgevers de kosten (zo veel mogelijk) worden terugverdiend en (bij voorkeur) de boedel aldus meeprofiteert van de uitkomst van de procedure. Ook als de curator niet rechtstreeks aan art. 68 Fw Pro de bevoegdheid tot het voeren van een procedure voor individuele schuldeisers kan ontlenen, maar daarvoor overeenkomsten tot lastgeving benodigd zijn, treedt de curator nog steeds niet buiten de grenzen van zijn wettelijke taak.
Onderdeel IIklaagt dat de rechtbank een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen van de curatoren heeft gegeven voor zover haar oordeel in rov. 4.13-4.14 is gebaseerd op de veronderstelling dat de curatoren hun bevoegdheid tot procederen voor de individuele schuldeisers (rechtstreeks) menen te ontlenen aan art. 68 Fw Pro. Zij hebben immers uitdrukkelijk gesteld dat zij hun bevoegdheid niet ontlenen aan art. 68 Fw Pro (maar aan overeenkomsten van lastgeving) en dat zij hun vordering niet wensen in te steken als een Peeters/Gatzen-vordering. [10]
Onderdeel IIIbestrijdt de overwegingen van de rechtbank in rov. 4.13-4.14 die erop neerkomen dat ook in de omstandigheden van deze zaak de curatoren (waarschijnlijk) niet-ontvankelijk/bevoegd zijn. Allereerst klaagt het onderdeel dat waar de rechtbank in rov. 4.13 overweegt dat uit de arresten
Peeters q.q./Gatzen, […] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobanklijkt te volgen dat optreden voor een beperkte groep van de schuldeisers, anders dan optreden voor de gezamenlijke schuldeisers, niet tot de wettelijke taak van de curator behoort, de rechtbank miskent dat het in die arresten ging om een op art. 68 Fw Pro gestoelde bevoegdheid tot procederen, maar niet om een bevoegdheid die werd ontleend aan lastgevingsovereenkomsten. Het onderdeel vervolgt met de klacht dat de rechtbank met de overweging in rov. 4.14 dat in het arrest
Butterman q.q./Rabobankeen vordering werd ingesteld voor individuele schuldeisers op basis van een volmacht, heeft miskend dat die omstandigheid geen rol heeft gespeeld in het oordeel van de Hoge Raad, althans dat dit niet blijkt uit de beoordelingen van de klachten in dat arrest. De overweging van de rechtbank in rov. 4.14 dat in het arrest
Butterman q.q./Rabobankis geoordeeld dat de bestemming van de opbrengst van de vordering niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator om een dergelijke vordering in te stellen, is volgens het onderdeel op zichzelf juist, maar dat is volgens het onderdeel het punt niet. In het arrest
Butterman q.q./Rabobankbestond een 'mismatch' tussen het beoogde doel van de opbrengst van de vordering (de gezamenlijke schuldeisers) en de partijen die volgens curator Butterman waren benadeeld (slechts een deel van de schuldeisers). De curatoren willen in deze zaak niet een dergelijke 'mismatch': de netto-opbrengst komt slechts ten goede aan de benadeelde schuldeisers die de last hebben verstrekt. De rechtbank heeft dus miskend dat de opbrengst van de vordering wel degelijk een rol kan spelen bij de vraag of de curatoren bij het voeren van de beoogde procedure binnen de grenzen van hun taak blijven.
Tot slot klaagt het onderdeel dat de overweging van de rechtbank in rov. 4.14 dat de curatoren hun stelling dat voor de schuldeisers geen andere manier bestaat om hun schade te verhalen, onvoldoende hebben onderbouwd, nu dat met een gestelde schade van € 2.407.675 niet voor de hand ligt, onvoldoende begrijpelijk is. [11] Die schade komt gelet op het aantal schuldeisers immers neer op een gemiddelde schade die aanzienlijk minder is dan de geschatte kosten in eerste aanleg, aldus het onderdeel. Daaraan doet volgens het onderdeel niet af dat 6 schuldeisers substantiële vorderingen hebben, omdat dit alleen maar betekent dat 112 schuldeisers nog geringere vorderingen hebben. Voor zover de rechtbank heeft bedoeld dat de individuele schuldeisers zelf hun krachten kunnen bundelen in één procedure heeft de rechtbank miskend dat de organisatie daarvoor niet van individuele schuldeisers kan worden gevergd, terwijl de curatoren de meest geschikte personen zijn om een dergelijke procedure te organiseren – of heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom dat in dit geval wel van de individuele schuldeisers kan worden gevergd. Met de aanname dat de schuldeisers zo nodig gebruik kunnen maken van het onderzoek van de curatoren miskent de rechtbank dat het de curatoren niet (zonder meer) vrijstaat dit te delen, althans is zonder nadere motivering niet duidelijk waarom dit hen wel zou zijn toegestaan.
Taak curator
3.5
Op grond van art. 68 lid 1 Fw Pro is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Die taak oefent hij uit in het belang van de schuldeisers. Het faillissement heeft ten doel hun vorderingen zoveel mogelijk te voldoen. [12] Het in 2017 als onderdeel van de Wet versterking positie curator ingevoegde art. 68 lid 2 Fw Pro bepaalt dat de curator bij het beheer en de vereffening van de failliete boedel beziet of er sprake is van onregelmatigheden die het faillissement (mede) hebben veroorzaakt, de vereffening van de failliete boedel bemoeilijken of het tekort in het faillissement hebben vergroot, hij de rechter-commissaris daarover vertrouwelijk informeert, en hij melding of aangifte van onregelmatigheden bij de bevoegde instanties doet, zo hij of de rechter-commissaris dit nodig acht. [13] Hiermee is echter niet bedoeld om (de reikwijdte van) de taak van de curator (buiten de in art. 68 lid 2 Fw Pro genoemde onderwerpen) uit te breiden, blijkens de gegeven toelichting. [14]
De Faillissementswet geeft de curator voor de uitoefening van zijn taak een reeks van bevoegdheden.
Peeters/Gatzen-vordering
3.6
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een faillissementscurator bevoegd om in het geval van benadeling van de gezamenlijk schuldeisers voor hun belangen op te komen door een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad tegen een derde in te stellen die bij die benadeling is betrokken, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. [15] Die bevoegdheid ontleent de curator volgens het arrest
[…] /Bannenberg q.q.aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot het beheer en vereffening van de failliete boedel. De opbrengst van een dergelijke vordering valt volgens dat arrest in de boedel en komt daarmee de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. [16]
Deze vordering – die wel wordt aangeduid als een
Peeters/Gatzen-vordering – komt toe aan de gezamenlijke faillissementsschuldeisers, omdat zij is gegrond op de benadeling in hun verhaalsmogelijkheden als gevolg van het handelen van de gefailleerde en de derde. De vordering valt niet in de boedel, omdat zij niet toekwam aan de gefailleerde, maar omdat zij strekt tot herstel van de verhaalsmogelijkheden van de faillissementsschuldeisers, dat wil zeggen hun verhaalsmogelijkheden binnen het kader van het faillissement, valt de opbrengst van de vordering wel in de boedel, teneinde via de uitdelingslijst tot verdeling te komen. Om deze reden brengt de wettelijke opdracht aan de curator tot beheer en vereffening van de failliete boedel mee dat hij ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers deze vordering kan innen en dus ook de voldoening daarvan in rechte kan vorderen, aldus de nadere uitleg die in het arrest
Dekker q.q./Lutècewordt gegeven. [17]
Het arrest […] /Bannenberg q.q.
3.7
In de zaak van het al aangehaalde arrest
[…] /Bannenberg q.q.had de curator Bannenberg een vordering ingesteld tegen de enig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap Installogic, in wier faillissement hij curator was, omdat deze jegens een beperkte groep schuldeisers onrechtmatig had gehandeld door in de periode na 31 juli 1998 tot de datum van het faillissement (2 september 1998) nieuwe contractuele verplichtingen te laten ontstaan, terwijl hij wist of diende te begrijpen dat de vennootschap niet in staat zou zijn om de daaruit voortvloeiende vorderingen te voldoen en daarvoor ook geen verhaal zou bieden. [18] Het hof had deze vordering toegewezen. Dat oordeelde de Hoge Raad onjuist. Hij overwoog (de eerste zinnen van deze overwegingen zijn hiervoor in 3.6 al verkort weergegeven):
“3.5 Het onderdeel slaagt. Een faillissementscurator is bevoegd in geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, waarbij, zoals de Hoge Raad voor het eerst in zijn arrest van 14 januari 1983, nr. 12026, NJ 1983, 597 heeft beslist, onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers geldend gemaakte vordering valt, evenals de opbrengst van een vordering tot vernietiging op de voet van de artikelen 42 e.v. Fw, in de boedel en komt derhalve de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. Zijn bevoegdheid tot het geldend maken van dergelijke vorderingen ontleent de curator aan de hem in art. 68 lid 1 Fw Pro gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel. De onderhavige (primaire) vordering van de curator is evenwel niet ingesteld voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor de schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan na 31 juli 1998. Dienovereenkomstig is de curator niet van plan de opbrengst van de vordering bij het boedelactief te voegen, maar wil hij die (zoals het hof in rov. 4.6 van zijn arrest vermeldt), na aftrek van kosten, ten goede doen komen aan deze schuldeisers. Een zodanige behartiging van de belangen van deze individuele schuldeisers, die aan het feit dat hun vorderingen op Installogic na 31 juli 1998 zijn ontstaan geen bijzondere door de curator in acht te nemen positie in het faillissement van Installogic ontlenen, valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid 1 Fw Pro aan de curator gegeven opdracht terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt te vinden.
3.6
De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de overige faillissementsschuldeisers baat hebben bij toewijzing van de onderhavige vordering omdat dan een aanzienlijk bedrag aan (preferente) vorderingen zal wegvallen en ook een groter bedrag zal resteren ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers maakt dit niet anders. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat de omvang van de door een individuele faillissementsschuldeiser geleden schade wegens (gehele of gedeeltelijke) onverhaalbaarheid van zijn vordering eerst kan worden bepaald als duidelijk is hoeveel hij uit het faillissement zal ontvangen. Hij zal dan ook voor het volle bedrag van zijn vordering in het faillissement moeten opkomen terwijl bij de vaststelling van zijn schade rekening moet worden gehouden met hetgeen hij uit het faillissement ontvangt. Het valt dus niet zonder meer in te zien dat de overige faillissementsschuldeisers baat hebben bij vergoeding door een derde van de verhaalsschade van een individuele schuldeiser. Dat een groter bedrag zal resteren ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers valt evenmin zonder meer in te zien.”
3.8
Opmerking verdient dat A-G Timmerman in zijn conclusie voor het arrest tot verwerping had geconcludeerd. Hij zag géén bezwaar tegen het optreden van de curator voor individuele schuldeisers. Hij merkte op:
“Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Mijns inziens heeft het hof terecht overwogen dat het instellen van een onrechtmatige daadsvordering ten behoeve van een individuele crediteur tot de taak van een curator kan worden gerekend, omdat bij toewijzing ervan een bedrag aan vorderingen zal wegvallen met het gevolg dat er een groter bedrag ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers zal overblijven. Ter motivering van de juistheid van deze benadering wijs ik op het volgende: Over de mogelijkheid voor de curator om voor schuldeisers op te treden heeft de Hoge Raad in de loop van de tijd diverse uitspraken gedaan. Het ging daar kort gezegd steeds om gevallen waarin een derde door een bepaald handelen (…) voor de gezamenlijke crediteuren van de vennootschap nadeel heeft veroorzaakt. (…) In het onderhavige geval gaat het om een enigszins andere kwestie: de curator wil de bestuurder van een vennootschap aanspreken die alleen tegenover bepaalde crediteuren van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld. Er is hier dan geen sprake van een algemene vermindering van de verhaalsmogelijkheden voor de crediteuren, maar van een geval waarin de bestuurder van de vennootschap heeft bewerkstelligd dat bepaalde crediteuren een oninbare vordering op de vennootschap hebben. Ik meen dat in een dergelijk geval een optreden van de curator mogelijk moet zijn precies om de reden die het hof noemt: het met succes instellen van een dergelijke schadevordering uit onrechtmatige daad kan tot gevolg hebben dat de overige crediteuren een grotere uitdeling uit de boedel ontvangen dan wanneer een dergelijke actie niet zou worden ingesteld. Anders gezegd: met de door de curator ingestelde actie kan een door een bestuurder bewerkte vermeerdering van het passief van de vennootschap ongedaan worden gemaakt welke vermeerdering niet had mogen plaatsvinden vanwege de slechte financiele positie van de vennootschap. Met een dergelijk optreden van de curator is het belang van de overige crediteuren gediend. Dat is mijns inziens een voldoende rechtvaardiging voor het optreden van de curator in dezen. Het openen van de mogelijkheid voor de curator om in dit soort gevallen op te treden is te meer te billijken, omdat de curator vaak beter op de hoogte is van de gang van zaken die aan een faillissement is voorafgegaan dan de individuele benadeelde crediteur. Hier komt nog bij dat een individuele crediteur soms om begrijpelijke redenen (het voeren van een proces is voor een individuele, particuliere partij vaak geen sinecure) niet de moeite wil nemen een bestuurder uit onrechtmatige daad aan te spreken, terwijl de curator de vorderingen van een aantal crediteuren kan bundelen, zoals dit in het onderhavige geval ook is geschied. Er kan op deze wijze ook een samenloop van procedures door een aantal individuele crediteuren worden voorkomen. De kans dat een onrechtmatig gehandeld hebbende bestuurder daadwerkelijk wordt aangesproken, neemt toe, als het hier bedoelde actierecht aan de curator toekomt. Ook dat vind ik wenselijk. Ik kan in het door het hof in zijn bestreden arrest aangenomen actierecht voor de curator niet veel meer zien dan een doortrekken van de lijn die de Hoge Raad is gaan uitzetten met het Gatzen-arrest naar een enigszins ander geval.”
3.9
Het voorgaande lijkt me duidelijk. Het optreden voor individuele schuldeisers valt buiten de taak van de curator. De Faillissementswet biedt geen grondslag voor dat optreden (rov. 3.5 slot). Het argument dat de gezamenlijke schuldeisers baat kunnen ondervinden door dat optreden, omdat dit leidt tot een vermindering van passief, maakt dit niet anders. Overigens gaat dit argument ook inhoudelijk niet op omdat de hoogte van de schadevergoedingsvorderingen van de individuele schuldeisers pas kan worden vastgesteld na de vaststelling van de uitkering die hun in het faillissement toekomt (rov. 3.6). Ook de argumenten die de A-G noemt, doen niet af aan het gebrek aan wettelijke grondslag voor het optreden van de curator voor individuele schuldeisers (dit staat niet met zoveel woorden in het arrest, maar de Hoge Raad heeft de conclusie gelezen en heeft zich onmiskenbaar niet op andere gedachten laten brengen door de hiervoor in 3.8 aangehaalde beschouwing van Timmerman).
Het arrest Butterman q.q./Rabobank [19]
3.1
Het arrest
Butterman q.q./Rabobankging over een geval dat vergelijkbaar is met dat van het arrest
[…] /Bannenberg q.q.In het arrest
Butterman q.q./Rabobankging het om een bank die de schuldenaar in staat had gesteld gedurende een bepaalde periode de indruk te wekken solvabel te zijn, en welke bank aldus schade had veroorzaakt voor bepaalde schuldeisers. De curator had van een groot aantal van die schuldeisers een volmacht gekregen om hun individuele vorderingen wegens onrechtmatige daad op de bank te innen en het geïnde toe te voegen aan het boedelactief teneinde dit aan de gezamenlijke schuldeisers te doen toekomen. Dit een en ander rechtvaardigde volgens de Hoge Raad echter geen andere beslissing dan in de zaak
[…] /Bannenberg q.q.door hem is gegeven. Hij overwoog:
“4.9 De faillissementscurator is immers in geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde slechts bevoegd voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, ook voor zover hij een zogeheten Peeters/Gatzen-vordering instelt. Een selectieve behartiging van de belangen van schuldeisers wier vordering na een bepaalde datum is ontstaan valt buiten de grenzen van de in art. 68 lid Pro 1 F. aan de curator gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel, terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt aan te wijzen (vgl. HR 16 september 2005, nr. C04/128, LJN AT7797, NJ 2006/311, […] /Bannenberg q.q.).”
Het hof had geoordeeld dat de curator de bevoegdheid om voor de individuele schuldeisers op te treden evenmin kon ontlenen aan de volmachten (rov. 4.6.8 van zijn arrest). In cassatie kwam onderdeel 6 van het middel mede tegen dat oordeel op. De Hoge Raad overwoog over dat onderdeel als volgt:
“4.10 Onderdeel 6 is gericht tegen de rov. 4.6.7 en 4.6.8 van het bestreden arrest. (…)
4.11
Voor zover het opkomt tegen rov. 4.6.8 voert het onderdeel met name aan dat, anders dan het geval was in het hiervoor (…) aangehaalde arrest […] /Bannenberg q.q., de curator in de onderhavige zaak de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel wil laten vallen ten gunste van de gezamenlijke schuldeisers.
4.12
Het onderdeel faalt reeds omdat het hof, op de hiervoor in 4.9 uiteengezette gronden, terecht heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval geen plaats is voor het instellen van een Peeters/Gatzen-vordering door de curator. Maar ook afgezien daarvan is het onderdeel op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd omdat de omstandigheid dat de curator — anders dan het geval was in de zaak die leidde tot het arrest […] /Bannenberg q.q. — in de onderhavige zaak voornemens is de opbrengst van de door hem ingestelde vordering in de boedel te laten vallen, niet van belang is voor de beoordeling van de bevoegdheid van de curator een vordering als de onderhavige in te stellen.”
3.11
In zijn conclusie voor het arrest was A-G Timmerman – in afwijking van zijn standpunt in zijn conclusie voor het arrest
[…] /Bannenberg q.q.– eveneens van opvatting dat de klachten van onderdeel 6 niet konden slagen. Hij merkte daarover op (voetnoten weggelaten):
“4.19 (…) Onderdeel 5 kan (…) niet slagen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de curator in het onderhavige geval niet bevoegd is. De curator heeft niet geklaagd over schending van een norm die alle schuldeisers als zodanig in hun verhaalsbelangen beschermt. Hetzelfde dient m.i. te gelden voor onderdeel 6. De curator beroept zich in dit onderdeel op hem gegeven machtigingen van vrijwel alle schuldeisers. Deze machtigingen kunnen de curator niet helpen. Ik wijs op de opvatting van Wessels: het als curator behartigen van de belangen van één of meer afzonderlijke schuldeisers is onverenigbaar met zijn wettelijke taak en doet afbreuk aan de eenheid en orde van de afwikkeling van het faillissement overeenkomstig het stelsel van de wet. Wessels beroept zich, evenals het hof in zijn bestreden arrest doet, hierbij op het […] /Bannenberg-arrest, waarin de Hoge Raad op de noodzaak van een wettelijke grondslag voor de taak van de curator wijst. Een enkele volmacht die niet op art. 68 lid 1 Fw Pro voortbouwt, is geen wettelijke grondslag. Minder deftig gezegd: voor bijklussen door de curator dat vaak zo lastig in te passen is in het systeem van de wet en daardoor tot allerlei lastige vragen over bijvoorbeeld afzonderlijke boedels aanleiding geeft, dient geen ruimte te bestaan.”
3.12
Het voorgaande lijkt me zo mogelijk nog duidelijker dan het arrest
[…] /Bannenberg q.q.: de curator kan niet optreden voor individuele schuldeisers, ook niet met een volmacht (dat laatste zegt de Hoge Raad niet met zoveel woorden, maar dat hij dat mede bedoelt, volgt onmiskenbaar uit de context van zaak, oordeel hof en klacht). Waarom kan de curator dat niet? Het antwoord is simpel: omdat hij
uitsluitendkan optreden op grond van zijn wettelijke taak ex art. 68 lid 1 Fw Pro. Wat betreft de onrechtmatige daad-vorderingen wegens benadeling kan het dan alleen gaan om vorderingen wegens benadeling van de gezamenlijke schuldeisers. Een volmacht van een individuele schuldeiser brengt hierin allicht geen verandering (rov. 4.9 en 4.12 eerste zin). Een en ander maakt ook duidelijk waarom de Hoge Raad het niet relevant acht wat de bestemming is van de opbrengst van de vordering die voor individuele schuldeisers wordt ingesteld (rov. 4.12 tweede zin) – dat maakt immers niet uit –, en de Hoge Raad het evenmin relevant acht of de gezamenlijke schuldeisers al dan niet baat hebben bij het optreden voor individuele schuldeisers (
[…] /Bannenberg q.q.) – dat maakt immers evenmin uit.
Discussie in de literatuur
3.13
Hoewel beide arresten dus duidelijk lijken, wordt in de literatuur tóch getwist over de vraag of een curator bevoegd is om te procederen namens individuele schuldeisers, als hij door die individuele schuldeisers gevolmachtigd is of daartoe voor hen als lasthebber optreedt. Gesproken wordt wel van de ‘rekkelijken’ en de ‘preciezen’. [20]
De rekkelijken beantwoorden de hiervoor genoemde vraag bevestigend. Recent en uitgebreid onderbouwd heeft Van der Weijden zich in deze zin uitgelaten, die in deze zaak de advocaat is van de curatoren in feitelijke instanties. [21] Van der Weijden voert aan dat uit het arrest
Butterman q.q./Rabobanken
[…] /Bannenberg q.q.geen grote conclusies getrokken kunnen worden over de mogelijkheid voor de curator om krachtens een rechtshandeling in rechte op te treden voor schuldeisers met specifieke benadeling. De Hoge Raad heeft over een dergelijke situatie bij zijn weten nog niet geoordeeld. Volgens Van der Weijden behoort het krachtens lastgeving optreden voor individuele schuldeisers met specifieke benadeling naar geldend recht niet tot de kerntaak van de curator, maar is de vraag veeleer of het een (neven)werkzaamheid is die zover af staat of onverenigbaar is met die kerntaak en belangen dat die de curator categorisch moet worden ontzegd. Dat is volgens hem niet het geval, omdat een dergelijke benadeling wordt veroorzaakt door gebeurtenissen waar de curator uit hoofde van zijn kerntaak reeds onderzoek naar doet en over procedeert. Wel zal de curator die op die manier wenst op te treden zich moeten afvragen of dat niet conflicteert met het belang van gezamenlijke schuldeisers bij boedelmaximalisatie, waarbij als uitgangspunt geldt dat hij aan de belangen van de gezamenlijke schuldeisers voorrang moet geven. Ten aanzien van de kosten van het onderzoek, de kosten van de procedure en gevallen waarin de curator zowel voor de gezamenlijke als individuele schuldeisers opkomt, kunnen die potentiële conflicten gerelativeerd of zelfs weggenomen worden, volgens Van der Weijden.
Ook bij andere rekkelijken valt te lezen dat zij de ruimte voor de curator om in rechte op te treden voor individuele schuldeisers niet onbegrensd achten. Zo wordt wel gesproken van spelregels die er op neerkomen dat de curator ook hier primair het belang van de boedel in het oog moet blijven houden en bijvoorbeeld belangenconflicten moet voorkomen, en dat de curator de boedel niet het procesrisico kan laten dragen. [22]
3.14
Tot de preciezen behoort in de eerste plaats Wessels. Volgens Wessels kan de behartiging van de wettelijke taak die de curator op grond van de Faillissementswet heeft, niet worden vermengd met een private opdracht van iemand wiens belangen krachtens de wet al aan de curator zijn toevertrouwd, maar dan volgens een andere regeling daarvan. Daarbij kan onvermijdelijk sprake zijn van tegenstrijdige belangen, die de curator dient te vermijden. [23] Zoals hiervoor in 3.11 bleek, onderschrijft A-G Timmerman deze zienswijze (bij nader inzien) in zijn conclusie voor het arrest
Butterman q.q./Rabobank. Zie voor deze opvatting ook Van Zanten [24] en Oppedijk Van Veen en Wijnstekers in hun hiervoor in de voetnoten 4 en 5 genoemde noten onder de uitspraken van de rechter-commissaris en rechtbank in deze zaak. Al deze auteurs zijn het er ook over eens dat deze uitkomst al volgt uit de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.
Nog een stapje verder gaat Vriesendorp, die aan genoemde vraag recent een uitvoerige uiteenzetting heeft gewijd. [25] Vriesendorp ziet voor de behartiging van de belangen van individuele schuldeisers door de curator ook pro se geen plaats, omdat ook daarbij op meerdere niveaus sprake kan zijn van een tegenstrijdig belang en bovendien van détournement de pouvoir doordat de curator zijn bevoegdheid voor een ander doel uitoefent dan waarvoor deze hem is verleend. Juist vanwege die aspecten is het van belang dat de curator geen misverstand laat ontstaan over zijn loyaliteit, nu de curator in hoedanigheid slechts één principaal kent, namelijk de – als eenheid gedachte – gezamenlijke schuldeisers, aldus Vriesendorp.
Is er grond om terug te komen van de arresten […] /Bannenberg q.q. en Butterman q.q./Rabobank?
3.15
Het cassatieberoep doet met een en ander de vraag rijzen of er gelet op de argumenten van de rekkelijken grond bestaat om terug te komen van de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank.
Dat lijkt me niet het geval. Die arresten rusten op een stevig fundament. De Faillissementswet bevat een complex stelsel dat is gericht op collectief verhaal door de schuldeisers. De curator speelt daarin een centrale rol. Zijn taak staat gedefinieerd in art. 68 lid 1 Fw Pro. Ter uitvoering van die taak geven de Faillissementswet en ook het ongeschreven recht (zoals kenbaar uit de rechtspraak van de Hoge Raad; de
Peters/Gatzen-vordering), hem specifieke bevoegdheden. Die bevoegdheden kan en mag hij uitsluitend voor de uitoefening van die taak gebruiken.
De opvatting van de rekkelijken klinkt wat mij betreft op zichzelf aantrekkelijk om de redenen die onder meer Timmerman, in zijn conclusie voor
[…] /Bannenberg q.q.,en Van der Weijden noemen: op het eerste gezicht komt dat de boedel ten goede, door in elk geval een boedelbijdrage, en ook de individuele schuldeisers varen daar wel bij, omdat hun vorderingen bij de curator vaak in goede handen zullen zijn. Dit zijn ook de argumenten die in het cassatieverzoekschrift breed in de verf worden gezet, onder verwijzing naar de hiervoor al genoemde auteurs. De preciezen wijzen er echter m.i. terecht op dat er echt een wezenlijk probleem bestaat wat betreft tegenstrijdige belangen, van, kort gezegd, boedel en individuele schuldeisers. De rekkelijken erkennen dat probleem op zichzelf wel, maar denken dat het zich laat vermijden en stellen dat ook als voorwaarde voor toepassing van hun leer (zie hiervoor in 3.13). Dat het probleem zich in de praktijk laat vermijden, valt echter te betwijfelen. In het stadium dat de curator aanvangt met de belangenbehartiging voor individuele schuldeisers, zal hij veelal niet goed kunnen overzien of zich een belangenconflict voordoet of zal voordoen. Als dat conflict naderhand blijkt, zal het vaak te laat zijn, omdat de curator zich dan niet zomaar meer zal kunnen terugtrekken en daarnaast al het nodige op grond van zijn kennis zal hebben gedaan. Hij zal dan ook niet geneigd zijn zich terug te trekken. Bovendien bestaat met genoemde voorwaarde die de rekkelijken willen stellen (geen concrete tegenstrijdige belangen), geen heldere en in de praktijk makkelijk te hanteren maatstaf. De beoordeling of de individuele belangenbehartiging door de curator zich in een concreet geval verdraagt met de wettelijke taak van de curator, is daarmee immers niet eenvoudig al vooraf te beantwoorden, wat wel een eis van de praktijk is in dit verband.
Bij het voorgaande komt dan nog – en dat is een belangrijk ander bezwaar – dat de curator voor de belangenbehartiging voor individuele schuldeisers steeds gebruik zal maken van kennis die hij in zijn hoedanigheid van curator krachtens zijn wettelijke bevoegdheden heeft gekregen. Dat noemen de rekkelijken ook als een belangrijk. voordeel van de behartiging van de belangen van individuele schuldeisers door de curator. Voor dat gebruik zijn die bevoegdheden hem echter niet gegeven. [26] De arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank– die geheel berusten op de verwijzing daarin naar de directe wettelijke samenhang tussen de wettelijk taak en wettelijke bevoegdheden van de curator – lijken me daarom, met de preciezen, ook gewoonweg zonder meer juist. Om hier te spreken van een ‘kerntaak’ van de curator, zoals de rekkelijken doen – wat suggereert dat er eventueel ook nog ‘neventaken’ zijn die de curator zou kunnen vervullen, waarvan de rekkelijken dan ook reppen (zie hiervoor in 3.13) – lijkt me niet juist. Het gaat hier immers uitsluitend om de vraag of een bepaalde activiteit wel of niet de taak is van de curator. Het optreden voor individuele schuldeisers is dat om genoemde redenen niet.
Bespreking van nadere argumenten van de curatoren
3.16
Met het voorgaande zijn de meeste van de argumenten van de onderdelen I-III en de daarop in de procesinleiding gegeven toelichting besproken. De toelichting wijst voorts, in navolging van Van der Weijden, op de relativering die mogelijk is van het verschil tussen de gezamenlijke en individuele schuldeisers in een faillissement. [27] Inderdaad kan het soms moeilijk zijn om in een concreet geval vast te stellen of onrechtmatig is gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers of slechts jegens individuele schuldeisers. Jegens de gezamenlijke schuldeisers wordt onrechtmatig gehandeld als zij onrechtmatig in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld (de hiervoor in 3.6 genoemde Peters/Gatzen-vordering). Daarvan is sprake als er minder actief in de boedel is door de onrechtmatige handeling van de aan te spreken derde. [28] Zoals curatoren terecht aanvoeren, hoeven niet altijd alle schuldeisers daarvan daadwerkelijk nadeel te ondervinden. Het gaat erom dat de schuldeiser gezamenlijk – zoals dan vaak wordt gezegd: gedacht als eenheid – daarvan nadeel hebben. Praktisch kan dat eventueel slechts één (bevoorrechte) schuldeiser zijn, zoals de curatoren betogen, namelijk als er maar weinig actief is. Waar het bij de
Peters/Gatzen-vordering en de actio pauliana – waaraan de
Peters/Gatzen-vordering sterk verwant is – namelijk om gaat is dat er voor de schuldeisers gezamenlijk minder actief is te verdelen. Dat slechts één schuldeiser daarvan uiteindelijk nadeel ondervindt, is daarbij niet relevant. [29]
Van benadeling van de gezamenlijke schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden kan ook sprake zijn als een onrechtmatige handeling leidt tot meer passief – dus meer schulden – in de boedel. [30] Omdat benadeling een feitelijk begrip is – het gaat erom of de schuldeisers uiteindelijk daadwerkelijk minder verhaal hebben voor hun vorderingen [31] – hangt het af van de omstandigheden van het geval of een toename van het passief de gezamenlijk schuldeisers benadeeld. Dat is wel het geval als het er voldoende actief is om over alle vorderingen te verdelen. Meer schuldeisers of meer vorderingen betekent dan immers een lagere uitkering in het faillissement voor de schuldeisers. Dat is niet het geval als er onvoldoende actief is voor de schuldeisers. De schuldeisers ondervinden dan immers feitelijk geen nadeel door de toename van het passief door een lagere uitkering. Dat geldt in sommige gevallen althans als de extra vorderingen geen hoge preferentie hebben, waardoor geen wijziging in de uitkeringen aan de schuldeisers optreedt. In dat geval kunnen eventueel wel individuele schuldeisers zijn benadeeld. [32]
Een vermeerdering van passief – waarvan sprake was in de zaken van de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobanken waarvan ook sprake is deze zaak – leidt dus alleen tot benadeling van de gezamenlijke schuldeisers als er voldoende actief is dan wel de nieuwe vorderingen een hoge preferentie hebben als gevolg waarvan andere schuldeisers een lagere uitkering in het faillissement ontvangen. In deze zaak doet – en in de zaken van de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobank(voor zover bij de Hoge Raad aan de orde) deed – zich dat niet voor. Daarom resteert dus alleen een eventuele vordering voor individuele schuldeisers. Een toename van actief om welke reden ook – waardoor een toename van het passief wel gevolgen heeft voor de gezamenlijke schuldeisers – zou echter tot een andere uitkomst leiden.
Hiernaast kan ook sprake zijn van een samenloop van een vordering van de curator wegens benadeling van de gezamenlijke schuldeisers en een vordering van individuele schuldeisers wegens hun benadeling. Art. 49 lid 1 Fw Pro bepaalt dat de pauliana-vordering in faillissement exclusief toekomt aan de curator. Bij de pauliana kan zich dus geen samenloop voordoen. [33] Bij de vordering wegens onrechtmatige benadeling geldt deze exclusiviteit niet volgens de Hoge Raad in het arrest
[…] / […]. Wel kan in dat geval volgens de Hoge Raad gelden dat de individuele schuldeisers moeten wachten met het vervolgen van hun vordering totdat op de vordering van de curator is beslist. Dat betekent dus dat de curator feitelijk voorrang krijgt. [34]
Vormt het voorgaande een argument voor een andere beslissing dan in de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankgegeven, zoals namens curatoren in de toelichting op het middel wordt betoogd? Dat lijkt me niet. Het voorgaande neemt immers niet weg – en brengt zelfs nog juist verder tot uitdrukking – dat een zeer helder en duidelijk onderscheid bestaat tussen de beide vorderingen, namelijk of wordt opgetreden voor de gezamenlijke schuldeisers – wat de taak is van de curator – of voor individuele schuldeisers – wat niet de taak is van de curator. Dat niet altijd op voorhand duidelijk is jegens wie in een concreet geval onrechtmatig is gehandeld, maakt dat niet anders. [35]
3.17
De toelichting maakt voorts een vergelijking met rechtspraak waarin handelen door de curator op basis van een machtigingsconstructie is toegestaan. [36] Die vergelijking gaat mank, omdat het in die rechtspraak gaat om handelen van de curator dat wel binnen zijn wettelijke taak valt.
De vergelijking betreft in de eerste plaats de rechtspraak over de zogeheten oneigenlijke lossing. Van die lossing is sprake als de curator op grond van een contractuele afspraak met de zekerheidsgerechtigde een met diens zekerheidsrecht bezwaard goed verkoopt, waarna de zekerheidsgerechtigde onder aftrek van een boedelbijdrage wordt voldaan uit de verkoopopbrengst. [37] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat deze lossing ten aanzien van met pandrecht bezwaarde goederen als parate executie door de pandhouder geldt. [38] Over de vraag of dit ook met betrekking tot de uitoefening van het recht op parate executie ten aanzien van een hypotheekrecht geldt, bestaat discussie. [39] Deze discussie kan hier verder blijven rusten, omdat het onderscheid tussen pand- en hypotheekrecht voor de vergelijking die curatoren maken, niet van belang is.
Het gaat bij deze lossing namelijk om een goed dat tot de failliete boedel behoort. Het te gelde maken daarvan (‘vereffenen’ in de terminologie van art. 68 lid 1 Fw Pro) behoort dus tot de wettelijke taak van de curator. Dat blijkt ook uit de regeling van de eigenlijke lossing van art. 58 Fw Pro (de curator kan de executie van de zekerheidsgerechtigde overnemen). Mede blijkens art. 57 lid 3 Fw Pro is de curator ook steeds betrokken bij de verdeling van de executieopbrengst van het goed waarop een zekerheidsrecht rustte. Het belang van de boedel bij een en ander is ook evident. Met de uitwinning van het goed en de voldoening daaruit van de zekerheidsgerechtigde door de curator vermindert het passief ten gunste van de gezamenlijke schuldeisers en met de uitwinning wordt het actief soms zelfs vermeerderd, in het geval dat een overwaarde wordt gerealiseerd. [40]
Ook de vergelijking met de beslissing van het hiervoor in 3.6 genoemde arrest
Dekker q.q./Lutèce,dat de curator met toestemming van de gezamenlijke schuldeisers een
Peeters/Gatzen-vordering kan overdragen aan een derde, gaat mank. Vaststaat immers juist dat het uitoefenen van een
Peeters/Gatzen-vordering tot de taak van de curator behoort.
3.18
Tot slot kan ook het met kracht door curatoren naar voren gebrachte argument dat de drempel om te procederen tegen de derden voor individuele schuldeisers te hoog kan zijn, en dat de curator soms veel beter is geëquipeerd om dit te doen, [41] niet tot een andere uitkomst leiden. Het is nu eenmaal niet de taak en dus niet de verantwoordelijkheid van de curator om voor (afzonderlijke) individuele schuldeisers te zorgen, hoe doelmatig en nuttig dat onder omstandigheden ook kan zijn voor die schuldeisers. Zoals Verstijlen opmerkt:
“Het faillissement is beperkt tot het realiseren van het verhaal. Daaronder valt het redresseren van benadeling in het verhaal. Wat het realiseren van dat verhaal betreft, zitten alle schuldeisers in hetzelfde schuitje en rechtvaardigt het faillissement dat de curator het verhaal van hen allen realiseert. Het faillissement of de curator is er niet voor ander onheil dat sommige (categorieën van) schuldeisers kan zijn overkomen, waaronder de omstandigheid dat iemand hen tot schuldeiser heeft gemaakt van een insolvente schuldenaar.
Het faillissement is een collectieve procedure om – los van het verminderde verhaal – het verhaal op de schuldenaar te realiseren, niet om de aansprakelijkheid van een derde te realiseren voor zover dat niet het verhaal op de schuldenaar betreft. Dat gaat de grenzen van het faillissement te buiten.” [42]
Overigens valt niet goed in te zien dat de individuele schuldeisers voor het realiseren van verhaal in beginsel zouden zijn aangewezen op de curator. Als hun vordering de kosten en het risico van een procedure waard is, dan kunnen zij die procedure zelf beginnen. De rechtbank heeft terecht beslist dat in dit geval niet goed valt in te zien dat zij die weg niet zouden kunnen volgen. Zij kunnen immers door de subjectieve cumulatie die curatoren ook van plan zijn toe te passen, mede door hun grote aantal, de kosten en het risico van een procedure per persoon aanmerkelijk beperken. Onduidelijk is waarom zij in dit geval een collectieve actie ex art. 3:305a BW zouden moeten overwegen in te stellen (of zelfs een WCAM- of WAMCA-procedure).
Zoals hiervoor bleek (in 3.15 laatste alinea en voetnoot 26), speelt in alle gevallen dat de curatoren de bijzondere informatie die zij door hun hoedanigheid van curatoren hebben – en die zij volgens hun betoog mede zo goed zouden kunnen inzetten ten behoeve van individuele schuldeisers –, niet mogen inzetten dan wel geven voor de uitoefening van de vorderingen van de individuele schuldeisers.
Verweer tegen de onderdelen I-III
3.19
Zowel Rabobank als [belanghebbende] heeft als verweer tegen de onderdelen I-III gevoerd dat de curatoren geen belang hebben bij die onderdelen. Volgens hen heeft de rechtbank namelijk slechts een risico-inschatting gemaakt ten aanzien van de ontvankelijkheid van curatoren in de in te stellen vordering en uiteindelijk een veel bredere afweging aan haar afwijzing van het verzoek om de machtiging ten grondslag gelegd.
3.2
Dit verweer faalt. De risico-inschatting die de rechtbank heeft gemaakt, berust in overwegende mate op haar oordeel over het geldende recht met betrekking tot de ontvankelijkheid van curatoren in de door hen in te stellen vordering. Dat oordeel over het geldende recht heeft de rechtbank weliswaar niet gegeven als een stellig (definitief) oordeel over hoe het rechtens zit. Het is echter wel een oordeel over hoe de rechter in de aan te spannen procedure
waarschijnlijkbeslist. De daarmee door de rechtbank gegeven risico-inschatting speelt onmiskenbaar een doorslaggevende rol in de afweging die de rechtbank heeft gemaakt. Als het oordeel van de rechtbank over het geldende recht niet juist zou zijn – zoals de curatoren betogen –, dan sleept dat daarom zonder meer haar afweging als geheel mee. Het belang van de bestrijding van dat oordeel door de curatoren is daarmee gegeven.
Bespreking onderdelen I-III
3.21
De onderdelen I-III falen. Uit het voorgaande volgt dat zij alle berusten op het onjuiste uitgangspunt dat de curatoren wel voor individuele schuldeisers kunnen optreden tegen derden als zij voor die individuele schuldeisers handelen op basis van lastgeving. Uit de arresten
[…] /Bannenberg q.q.en
Butterman q.q./Rabobankvolgt echter onmiskenbaar dat er geen plaats voor een dergelijk optreden door de curatoren. Er is geen grond om van die arresten terug te komen.
De door onderdeel V bestreden overwegingen
3.22
Onderdeel Vkomt op tegen rov. 4.15. Rov. 4.5, dat in dit verband mede van belang is, en rov. 4.15 luiden:
“4.5 Het is wel zo dat de rechtbank als hoger beroepsrechter rekening mag houden met de ruime toezichtsbevoegdheid van de rechter-commissaris. [43] De rechtbank zal hierna alleen het oordeel van de rechter-commissaris over het procesrisico van de procedure waar het gaat om het handelen van Rabobank en [belanghebbende] met enige afstand toetsen. De rechter commissaris is namelijk al lang bij dit faillissement betrokken, waardoor hij beter op de hoogte is van het geschil van de curatoren met Rabobank en [belanghebbende] . Bovendien stellen Rabobank en [belanghebbende] terecht dat de rechter-commissaris over meer documenten beschikt om zijn oordeel op te baseren dan de rechtbank. Zo heeft de rechter-commissaris de lastgevingsovereenkomst tussen de curatoren en de 118 schuldeisers (anders dan de rechtbank). De rest van het oordeel van de rechter-commissaris zal wel volledig worden getoetst.
(…)
4.15
Als het gaat om de aansprakelijkheid van Rabobank en [belanghebbende] overweegt de rechter-commissaris het volgende:
 Een insolvente onderneming mag buiten faillissement worden gehouden om daarmee de waarde van activa te vergroten, zoals Rabobank heeft gedaan. Daarbij moet Rabobank rekening houden met de belangen van de schuldeisers van de onderneming. Rabobank heeft een zorgplicht naar de (toekomstige) schuldeisers van de onderneming.
 De rechter-commissaris overweegt dat er reden is om de vordering op Rabobank voor te leggen aan de civiele rechter omdat Rabobank:
(1) in 2015 volledig op de hoogte was van de financiële situatie van CARe en
(2) (indirect) volledige zeggenschap had en
(3) de vorige eigenaar waarschuwde dat een surséance van betaling de enige optie was.
 Voor [belanghebbende] geldt dit niet, volgens de rechter-commissaris. [belanghebbende] is op verzoek van Rabobank aangesteld als bestuurder van een onderneming in financiële nood en de herfinanciering op basis van het reddingsplan was toen al achterhaald. De rechter commissaris oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat [belanghebbende] met de voortzetting van CARe onverantwoorde risico’s heeft genomen.
Zoals hiervoor in 4.5 is overwogen, zal de rechtbank dit oordeel van de rechter-commissaris met enige afstand toetsen. Het oordeel van de rechter-commissaris is gemotiveerd en de rechtbank ziet geen reden om dit oordeel niet te volgen. Beroepsgronden 5 en 6 falen dan ook.”
Klacht onderdeel V
3.23
Het onderdeel klaagt dat rov. 4.15, voor zover deze betrekking heeft op de aansprakelijkheid van [belanghebbende] , blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Tegen de overwegingen van de rechter-commissaris hebben de curatoren in hoger beroep concrete, specifieke bezwaren aangevoerd die bovendien niet zozeer zijn gegrond op een appreciatie van de feiten van het geschil, maar die grotendeels juridisch van aard zijn, nu zij gaan over de juiste uitleg van de Beklamelnorm, de verantwoordelijkheid van de bestuurder en de vraag of deze vertrouwen mag hebben in het rekening houden met de belangen van andere schuldeisers door een financier, terwijl die in de regel tegenstrijdige belangen heeft met de vennootschap en overige stakeholders. [44] Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank zich volgens het onderdeel onvoldoende van haar taak als appelrechter gekweten of is zij uitgegaan van een te ruime bevoegdheid om de beslissing van de rechter-commissaris terughoudend of marginaal te toetsen. De rechtbank heeft miskend dat zij een zelfstandig oordeel had moeten geven over de aangehaalde essentiële stellingen van de curatoren.
Althans heeft de rechtbank haar oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat de enkele overweging dat de rechtbank geen reden ziet om het oordeel van de r-c niet te volgen, geen inzicht geeft in waarom volgens de rechtbank de stellingen van de curatoren de rechtbank geen aanleiding geven om het oordeel van de r-c niet te volgen.
Bespreking onderdeel V
3.24
Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden omdat de curatoren daarbij geen belang hebben, nu de onderdelen I-III ongegrond zijn.
3.25
Ook inhoudelijk gaat het onderdeel niet op. Vooropgesteld kan worden dat de rechtbank, zoals zij in rov. 4.5 overweegt en het middel niet bestrijdt, het oordeel van de rechter-commissaris inderdaad terughoudend mocht toetsen. [45] Blijkens rov. 4.15 is de rechtbank bij die toetsing uitgegaan van dezelfde maatstaven, feiten en waarderingen van de feiten als de rechter-commissaris in rov. 5.6 en 5.7 van zijn beschikking. Daarmee heeft de rechtbank voldoende inzicht in haar gedachtegang gegeven. De rechtbank heeft in de bezwaren van curatoren die het onderdeel noemt, blijkens haar oordeel geen of onvoldoende grond gezien om tot een ander oordeel te komen. Dat geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel wil, dwingen die bezwaren – die overigens wel degelijk mede de waardering van de feiten betreffen – niet tot een ander oordeel. De curatoren lezen bij die bezwaren met name een miskenning van de Beklamelnorm in de beschikking van de rechter-commissaris, maar kennelijk en niet onbegrijpelijk is de rechtbank op dit punt een ander oordeel toegedaan geweest.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.2 de beschikking van de rechtbank, alsmede – meer uitvoerig – rov. 2.1-2.7 van de beschikking in eerste aanleg van de rechter-commissaris, welke rechtsoverwegingen in hoger beroep niet zijn bestreden.
2.Zie voor meer details rov. 2.4 van de beschikking van de rechter-commissaris. Zie ik het goed, dan is de overeenkomst niet in de procedure overgelegd (zie aldus ook rov. 4.5 van de beschikking van de rechtbank) .
3.Vgl. de vaststelling in rov. 2.1 van de beschikking van de rechtbank.
4.Rb. Midden-Nederland 16 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2322, JOR 2025/200, m.nt. E.J. Oppedijk van Veen.
5.Rb. Midden-Nederland 12 november 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5959, JOR 2026/37, m.nt. B.W. Wijnstekers.
6.Rb. Midden-Nederland 9 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7106.
7.De procesinleiding in cassatie is op maandag 24 november 2025 bij de Hoge Raad ingediend. Dat is binnen de cassatietermijn, die grond van art. 67 Fw Pro jo 426 lid 2 Rv tien dagen bedraagt, aangezien 22 november 2025 op een zaterdag viel en de termijn dus op grond van art. 1 lid 1 Algemene Pro termijnenwet is verlengd tot de daarop volgende maandag.
8.Bij bericht, ingekomen in het portaal van de Hoge Raad op 12 januari 2026, hebben de curatoren te kennen gegeven dat onderdeel VI van het middel in verband met de herstelbeschikking van 9 december 2025 geen behandeling meer behoeft.
9.De rechtbank verwijst in voetnoot 7 van haar beschikking voor deze maatstaven naar HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3253, JOR 2018/105, m.nt. B.I. Kraaipoel, rov. 3.4.3, en in voetnoot 8 naar mijn conclusie in zaak 21/04686, ECLI:NL:PHR:2022:384, onder 4.5 en 4.6.
10.Het onderdeel verwijst naar het aanvullend beroepschrift van curatoren, onder 5.
11.Het onderdeel verwijst naar het aanvullend beroepschrift van curatoren, onder 8 (2e streepje), 24, 35.
12.De curator dient ook te letten op het belang van de schuldenaar en op de maatschappelijke belangen die bij het boedelbeheer zijn betrokken. Zie daarover mijn conclusie in zaak 21/04686, ECLI:NL:PHR:2022:384, onder 4.5. Over het belang van de schuldenaar en genoemde maatschappelijke belangen gaat het in deze zaak echter niet.
13.Stb. 2017, 124 en Stb. 2017, 176.
14.Kamerstukken II 2014/15, 34 253, nr. 3, p. 2-3, 6 en 12-13. In Kamerstukken II 2015/16, 34 253, nr. 3, p. 2 wordt het zo verwoord dat de faillissementsfraudebestrijding er juist toe strekt om de eventuele benadeling van de boedel weer ongedaan te maken en dat daarom de voorgestelde fraudesignalerende taak van de curator in het verlengde ligt van zijn taak, te weten boedelmaximalisatie ten bate van de crediteuren (de toelichting spreekt telkens m.i. minder nauwkeurig van ‘kerntaak’).
15.HR 14 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4521, NJ 1983/597, m.nt. B. Wachter (Peeters q.q./Gatzen), rov. 3.3.
16.HR 16 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7797, NJ 2006/311, m.nt. P. van Schilfgaarde ( […] /Bannenberg q.q.), rov. 3.5. De beslissing is herhaald in HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3917, NJ 2009/416, m.nt. P. van Schilfgaarde (Dekker q.q./Lutèce), rov. 3.4.4.1.
17.HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3917, NJ 2009/416, m.nt. P. van Schilfgaarde (Dekker q.q./Lutèce), rov. 3.4.4.2.
18.De vordering van de curator was dus gegrond op de regel van het
19.HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN7887, NJ 2011/366, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Butterman q.q./Rabobank).
20.De eerste die dat deed is M.L. Lennarts in haar noot onder […] /Bannenberg q.q. in Ondernemingsrecht 2006/11.
21.R.J. van der Weijden, 'Voorbij de beperking van de Peeters/Gatzen-vordering: de curator als lasthebber van individuele schuldeisers', in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Benadeling van schuldeisers, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 91-110.
22.Vgl. – ten dele daterend van voor de arresten
23.B. Wessels, 'Geen selectieve belangenbehartiging door de faillissementscurator', WPNR 2011/6897. Zie ook Wessels Insolventierecht IV 2020/4206, waarin sedert de eerste druk uit 2001 van dat werk deze opvatting al staat vermeld.
24.T.T. van Zanten, ‘Het actierecht van de faillissementscurator’, VrA 2006/2, p. 121-122.
25.R.D. Vriesendorp, 'De (bij)klussende curator; schoenmaker, hou je bij je leest!', in: E.L. Zetteler e.a. (red.), In debat met Van Andel, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 451-472.
26.Onderdeel III slot (hiervoor in 3.4 slot weergegeven) erkent dit bezwaar volmondig, maar betrekt het alleen op het geval dat de curator informatie aan de individuele schuldeisers zou geven voor een door henzelf te voeren procedure, en niet mede op het geval dat hij zelf die informatie zou inzetten in een procedure ten behoeve van die schuldeisers.
27.Procesinleiding in cassatie onder 3.1-3.7.
28.Vgl. bijv. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/541, met een opsomming van verschillende op grond van rechtspraak van de Hoge Raad gesignaleerde gevallen van actiefvermindering. Zie voorts uitgebreid W.J.M. van Andel, ‘De Peeters/Gatzen-vordering’, in: W.J.M. van Andel & F.M.J. Verstijlen, Materieel faillissementsrecht: de Peeters/Gatzen-vordering en de overeenkomst binnen faillissement, Deventer: Kluwer 2006, p. 41 e.v.
29.Vgl. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401, NJ 1992/174, m.nt. J.M.M. Maeijer (Nimox N.V./Van den End q.q.), rov. 3.2. Deze omstandigheid doet immers niet af aan het feit dat het verhaalbare vermogen is afgenomen en daarom aan de ten aanzien van de Peeters/Gatzen-vordering ten grondslag te leggen normschending wordt voldaan.
30.Zie bijv. Wessels Insolventierecht IV 2020/4192 en Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/546. R.J. van der Weijden, 'Voorbij de beperking van de Peeters/Gatzen-vordering: de curator als lasthebber van individuele schuldeisers', in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Benadeling van schuldeisers, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 95, voetnoot 13, meent overigens dat hierover nog onduidelijkheid bestaat, gelet op lagere rechtspraak.
31.Zie bijv. F. Damsteegt, Pauliana, Deventer: Wolters Kluwer 2023 nr. 23-24, m.b.t. de benadelingseis bij de pauliana. Vgl. voorts bijv. Wessels Insolventierecht IV 2020/4193, die opmerkt dat Peeters/Gatzen-vordering in opzet gelijkt op die welke de curator (exclusief) op basis van art. 42 e.v. (actio pauliana) kan instellen (redresseren van handelingen of gedragingen die de boedel hebben benadeeld). Zie ook bijv. Polak/Pannevis, Insolventierecht 2026, par. 7.3.4.
32.Vgl. W.J.M. van Andel & F.M.J. Verstijlen, Materieel faillissementsrecht: de Peeters/Gatzen-vordering en de overeenkomst binnen faillissement, Deventer: Kluwer 2006, p. 42-48, met vele (reken)voorbeelden. Zie ook de voorbeelden van R.J. van der Weijden, 'Voorbij de beperking van de Peeters/Gatzen-vordering: de curator als lasthebber van individuele schuldeisers', in: E.J.R. Verwey e.a. (red.), Benadeling van schuldeisers, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 97-99.
33.Vgl. bijv. T&C Insolventierecht, commentaar op art. 49 Fw Pro, aantek. 1 (F.M.J. Verstijlen, actueel t/m 01-04-2026).
34.HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD2684, NJ 2005/95 ( […] / […] ), rov. 3.4.4 en 3.4.5. Zie ook HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4499, NJ 2005/96 ( […] / […] ), rov. 5.1.3. Vgl. ook bijv. Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/597-599 en Wessels Insolventierecht III 2019/3362-3363a.
35.Gelet op een en ander werpt het feit dat het begrip boedelbelang niet eenduidig is en soms slechts de uitkomst is van elkaar tegenstrijdige belangen – zie daarover opnieuw mijn conclusie in zaak 21/04686, ECLI:NL:PHR:2022:384, onder 4.5 –, evenmin een ander licht op de zaak.
36.Procesinleiding in cassatie, onder 3.18-3.22.
37.Vgl. Asser/Van Mierlo & Krzemiński 3-VI 2024/94. Gesproken wordt van ‘oneigenlijke lossing’ om het verschil te markeren met de zogeheten eigenlijke lossing, die in art. 58 lid 2 Fw Pro is geregeld.
38.HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7109, NJ 2012/74, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.4, HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:319, NJ 2014/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.3.2, en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149, NJ 2018/194, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.3.2.
39.Vgl. bijv. uitgebreid en met verwijzing naar tot die onduidelijkheid aanleiding gevende rechtspraak en de discussie daarover W.D.M. Rijnenberg, Zekerheid en faillissement. Een grondslagenonderzoek naar de faillissementsrechtelijke positie van schuldeisers met pand- en hypotheekrechten (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 11.8.
40.Vgl. bijv. Polak/Pannevis, Insolventierecht 2026, nr. 10.2.4.
41.Zie bijv. de procesinleiding in cassatie onder 3.9 e.v.
42.Asser Procesrecht/Verstijlen 11 2025/549. Bij de laatste keer ‘schuldenaar’ in dit citaat vermeldt de tekst bij Verstijlen abusievelijk ‘schuldeiser’.
43.De rechtbank verwijst hier in voetnoot 6 naar HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, rov. 3.3.
44.Het onderdeel verwijst daarbij naar vindplaatsen in het aanvullend beroepschrift in hoger beroep, onder 41-47.
45.HR 13 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1948, NJ 2020/108, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 3.1.3, met verwijzing naar het nog beperkter luidende HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3645, NJ 2013/292, rov. 3.3.