Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:416

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
25/03370
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 lid 1 SvArt. 416 lid 2 SvArt. 265 lid 2 SvArt. 265 lid 3 SvArt. 36e lid 2 onder b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens niet-naleving dagvaardingstermijn in hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat geen schriftuur met grieven was ingediend en hij niet was verschenen. De advocaat-generaal stelde dat het hof het onderzoek had moeten schorsen vanwege het niet in acht nemen van de dagvaardingstermijn van ten minste tien dagen zoals voorgeschreven in art. 413 lid 1 Sv Pro.

Uit de stukken bleek dat de dagvaardingstermijn niet was nageleefd: de dagvaarding was pas op 15 juli 2025 uitgereikt aan het openbaar ministerie, terwijl de terechtzitting op 21 juli 2025 plaatsvond. Pogingen om de dagvaarding op het geregistreerde adres van de verdachte te betekenen waren tevergeefs geweest. De verdachte was niet verschenen en had geen toestemming gegeven voor verkorting van de termijn.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen vanwege het verzuim de termijn van art. 413 lid 1 Sv Pro te respecteren. Het niet schorsen leidde tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak. De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

De Hoge Raad vond geen andere gronden voor vernietiging en bevestigde dat de termijn van tien vrije dagen strikt moet worden nageleefd, tenzij de verdachte toestemming geeft of verschijnt. De zaak wordt terugverwezen voor een correcte procedurele behandeling.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de dagvaardingstermijn en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03370
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 juli 2025 door een enkelvoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-000382-25) op de voet van het bepaalde in art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat J. Veltheer heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het cassatiemiddel betoogt dat in hoger beroep het bepaalde in art. 413 lid 1 Sv Pro niet in acht is genomen, zodat het hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen.
2.2
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden betekeningsstukken blijkt dat op 20 mei, 28 mei en 1 juli 2025 tevergeefs is geprobeerd om de appeldagvaarding voor de terechtzitting van 21 juli 2025 uit te reiken op het in de BRP geregistreerde adres van de verdachte ( [a-straat 1] , [plaats] ). Op 15 juli 2025 is de appeldagvaarding uitgereikt aan het openbaar ministerie en is een afschrift verzonden aan het BRP-adres van de verdachte ( [a-straat 1] , [plaats] ).
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2025 houdt, voor zover relevant, het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte]
geboren [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats]
[a-straat 1]
[plaats] ,
is niet verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. J. Veltheer, advocaat te Amsterdam, is evenmin verschenen.
De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
De raadsheer verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De raadsheer merkt op dat in deze zaak geen schriftuur houdende grieven is ingediend.
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep. De advocaat-generaal legt de vordering aan het gerechtshof over.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en deelt mee terstond mondeling arrest te zullen wijzen.
De raadsheer spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet- ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.4
Artikel 413 lid 1 Sv Pro schrijft voor dat tussen de dag waarop de dagvaarding aan de verdachte is betekend en die ter terechtzitting een termijn van tenminste tien dagen moet verlopen. [1] In het geval dat de dagvaarding op de voet van art. 36e lid 2 onder b Sv (art. 588 lid 3 aanhef Pro en onder c (oud) Sv) wordt uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, is de betekening voltooid met die uitreiking; de verzending van een afschrift van de dagvaarding maakt geen deel uit van de betekening. [2]
2.5
Wanneer de termijn van art. 413 lid 1 Sv Pro niet is nageleefd, terwijl daar evenmin toestemming voor is gegeven in de zin van art. 265 lid 2 Sv Pro, dient de rechter het onderzoek ter terechtzitting op straffe van nietigheid te schorsen, tenzij de verdachte is verschenen (art. 265 lid 3 Sv Pro). [3] Is dat laatste het geval en verzoekt de verdachte op de zitting uitstel in het belang van zijn verdediging, dan dient de rechter het onderzoek voor bepaalde tijd te schorsen, tenzij de rechter bij met redenen omklede beslissing van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet. [4]
2.6
Een te korte dagvaardingstermijn zonder dat de verdachte daarvoor toestemming heeft gegeven en zonder dat de verdachte ter terechtzitting verschijnt, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. Het verzuim om het onderzoek ter terechtzitting in dat geval te schorsen leidt wel tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de daarop gegronde uitspraak. [5]
2.7
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden betekeningsstukken volgt dat de in art. 413 lid 1 Sv Pro voorgeschreven termijn van tien dagen niet in acht is genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte en de verdachte blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting aldaar niet is verschenen, had het hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413 jo Pro. 265 lid 3 Sv moeten schorsen.
2.8
Dat verzuim heeft nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak tot gevolg.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam om op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met de bedoelde termijn van tien dagen worden tien ‘vrije dagen’ in de zin van art. 130 Sv Pro bedoeld: de dag van betekening en de zittingsdag zelf tellen bij de berekening van deze termijn niet mee. De termijn geldt ook voor de behandeling door de enkelvoudige kamer van het hof. Zie HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6737.
2.Vgl. HR 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6154.
3.Vgl. HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3326.
4.Schorsing van het onderzoek ter terechtzitting vanwege een te korte dagvaardingstermijn is niet zonder meer nodig indien ter zitting een gemachtigd raadsman verschijnt, tenzij deze om schorsing verzoekt omdat de verdachte bij de terechtzitting aanwezig wil zijn. Zie HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154.
5.Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1639; HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB4949; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6737; HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT8878; HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3156; HR 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:994; HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1408; HR 14 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:67.