ECLI:NL:HR:2007:BB4949
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van hoger beroep wegens schending termijn art. 413 Sv en verstek zonder schorsing
In deze zaak was de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. Het hof had het vonnis van de politierechter vernietigd en een gevangenisstraf opgelegd. Tijdens het hoger beroep was de verdachte niet verschenen en was verstek verleend.
De Hoge Raad oordeelt dat de in art. 413, eerste lid, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen tussen dagvaarding en terechtzitting niet was nageleefd. De dagvaarding was pas op 18 juli 2006 aan de griffie van de rechtbank uitgereikt, terwijl de terechtzitting op 26 juli 2006 plaatsvond. Er was geen toestemming van de verdachte voor verkorting van deze termijn.
Het hof had het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen op grond van art. 413 lid 1 jo Pro. art. 265 lid 3 Sv Pro, maar zette het onderzoek voort ondanks verstek tegen de niet-verschenen verdachte. Dit verzuim is zo ernstig dat het leidt tot nietigheid van het onderzoek en de daarop gebaseerde uitspraak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens niet-naleving van de termijn en voortzetting van het onderzoek na verstek zonder schorsing, en de zaak wordt terugverwezen.