Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:1408

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
9 oktober 2024
Zaaknummer
22/02408
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420quater.1.b SrArt. 413 SvArt. 265 SvArt. 36e lid 2 SvArt. 279 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens schending oproepingstermijn bij verstekverlof in hoger beroep

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor schuldwitwassen. Het gerechtshof Den Haag verleende verstek tegen de verdachte omdat deze niet was verschenen op de terechtzitting in hoger beroep. De oproeping tot die zitting was echter niet tijdig gedaan: de wettelijke termijn van tien dagen, voorgeschreven in artikel 413 lid 1 Sv Pro, was niet in acht genomen. De oproeping was op 19 mei 2022 uitgereikt, terwijl de terechtzitting op 25 mei 2022 plaatsvond, waardoor de termijn te kort was.

Er was geen toestemming van de verdachte voor deze verkorting van de oproepingstermijn. Bovendien was ook de gemachtigde raadsman op grond van artikel 279 Sv Pro niet verschenen. Volgens de Hoge Raad had het hof het onderzoek op de terechtzitting moeten schorsen vanwege deze procedurele tekortkoming. Het hof besloot echter het onderzoek voort te zetten en verleende verstek tegen de verdachte.

De Hoge Raad oordeelt dat dit handelen in strijd is met de wettelijke voorschriften en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing, waarbij de juiste oproepingstermijn in acht moet worden genomen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens niet-naleving van de oproepingstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02408
Datum22 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2022, nummer 22-002679-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Arkesteijn, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot het verlenen van verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
2.2
Aan de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 25 mei 2022 is een akte van uitreiking gehecht. Volgens deze akte is die oproeping op 19 mei 2022 uitgereikt op de wijze zoals is voorgeschreven in artikel 36e lid 2, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De termijn van tien dagen die in artikel 413 lid Pro 1, eerste volzin, Sv is voorgeschreven, is dus niet in acht genomen.
2.3
De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de verkorting van die termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting is de verdachte niet verschenen. Een door hem op grond van artikel 279 Sv Pro gemachtigde raadsman is ook niet verschenen. Daarom had het hof het onderzoek op de terechtzitting op grond van artikel 413 in Pro samenhang met artikel 265 lid 3 Sv Pro moeten schorsen. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting echter voortgezet nadat tegen de niet-verschenen verdachte verstek was verleend. Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 oktober 2024.