Conclusie
Nummer25/00659
Inleiding
medeplegen van moord”;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een wapen van categorie II en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een onderdeel van een vuurwapen van categorie III”;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
De zaak
Het eerste middel
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder, in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Het juridisch kader
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
De bespreking van het eerste middel
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [5]
Het tweede middel
Prokuratuur [8] en
Landeck [9] .
De overwegingen van het hof
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Een nadere omschrijving van het tweede middel
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
Prokuratuur. [12] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [13] over Richtlijn 2016/680. [14]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [18] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [19] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [20]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [21] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [22]
Landeck. [29] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [30] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [31]
De bespreking van het tweede middel
Het derde middel
Het procesverloop, het getuigenverzoek en de beslissing van het hof
–waar [medeverdachte 2] als getuige werd gehoord
–is namens de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte 3] , mr. [betrokkene 12] , het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 1] als getuige te horen. [34] Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in:
De getuige [DA: tevens [medeverdachte 2] ] verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt [DA: medeverdachte [medeverdachte 3] ], namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘ [accountnaam] ’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 1] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [bijnaam] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 1] – hem met [betrokkene 1] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [bijnaam] / [getuige 1] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 1].”
De voorzitter deelt mede:
“ [getuige 1] (‘ [bijnaam] ’):
Ter terechtzitting op 8 december 2023 is door de meervoudige strafkamer van het hof bepaald dat [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1968, op wordt geroepen als getuige in de zaak tegen voornoemde verdachten.
Nadat mr. [betrokkene 2] pagina 134 van de pleitnota heeft voorgedragen, vraagt de voorzitter aan de raadslieden:
Geachte raadsheer-commissaris,
Ten aanzien van de getuigen (…) [getuige 1] bericht ik u als volgt.
Het hof heeft op 13 juni 2024 twee e-mails ontvangen van de raadsheer-commissaris. Uit de eerste e-mail volgt dat er geen nieuwe informatie bekend is geworden over de verblijfplaatsen van getuigen (…) [getuige 1] . De raadsheer-commissaris beschikt daarom nog steeds niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van deze getuigen.”
Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 1] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij via [getuige 1] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 1] . [getuige 1] zou het contact van [medeverdachte 2] met [betrokkene 1] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 1] .Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord.
Een nadere omschrijving van het derde middel
“het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 1] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen”, en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is geweest.
De bespreking van het derde middel
defence witness) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten.
Het vierde middel
De bewijsvoering
“7.2. De verklaringen van [kroongetuige]
Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 13 november 2018, map 118D, p. 3626
“Eigen waarneming van het hof
“6.3.2.5. De rol van [verdachte]
Een nadere omschrijving van het vierde middel
De bespreking van het vierde middel
“het neefje van [betrokkene 3] ”,dat de kroongetuige hem meerdere keren – tijdens verschillende ontmoetingen in de auto – heeft gezien, en ook dat hij ‘het neefje’ nadien heeft herkend als de verdachte op een aan hem door verbalisanten getoonde foto. In zijn oordeel heeft het hof bovendien meegewogen dat de beschrijving van de kroongetuige in zijn kluisverklaring van ‘het neefje’ relatief sterk onderscheidende kenmerken bevat (namelijk: licht getint, een beetje ‘rooiig’, met sproetjes), [46] terwijl deze beschrijving past bij de uiterlijke kenmerken die het hof zelf bij de verdachte (op een SKDB-foto en tijdens de zitting) heeft waargenomen. Uit ’s hofs eigen waarneming (die overigens ook tot het bewijs is gebezigd, zie hiervoor onder randnummer 56) blijkt immers dat de verdachte
“een licht getint, wat rossig uiterlijk en sproeten in het gezicht heeft”.
Het vijfde middel
anoniemegetuige ( [getuige 2] ), terwijl het hof het gebruik van deze verklaringen, in strijd met het bepaalde in artikel 360 lid 1 Sv Pro, niet in het bijzonder heeft gemotiveerd. Dit verzuim leidt volgens de stellers van het middel tot nietigheid van de bestreden uitspraak. [48]
De bewijsvoering
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] van 18 april 2017, map 81, p. 51
Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] van 10 mei 2017, map 81, p. 95
“6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]
6.3.2.3.3. Liquidatie van [slachtoffer 2]
Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt dat een Peugeot stationwagen, met daarin in ieder geval twee donkergetinte mannen, achteruit reed richting de [a-straat] . Nadat [getuige 2] enkele knallen had gehoord, zag zij de Peugeot dwars achter een andere auto, een Citroën, staan. De Peugeot stond op zo’n manier achter de Citroën dat deze nooit achteruit had kunnen wegrijden. Nadat de bijrijder in de Peugeot sprong, is deze met hoge snelheid weggereden.
6.3.2.3.7.Vluchtauto’s – Peugeot 308 en Renault Clio
Het juridisch kader: een persoon wiens identiteit niet blijkt
nietpersonen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [53] Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd. [54]