Conclusie
1.Inleiding
2.Aanleiding vordering tot cassatie in het belang der wet
3.Het vonnis van de rechtbank Gelderland
Dadelijk uitvoerbaar
uitvoerbaarheid bij voorraad geregeldvan de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie
en de voorwaardelijk opgelegde pij-maatregel.” (cursief rechtbank)
4.Juridisch kader
straffenregelt. [34] De dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden van voorwaardelijk opgelegde (potentieel vrijheidsbenemende)
maatregelenis in het volwassenensanctierecht separaat geregeld in respectievelijk art. 38 lid 6 Sr Pro (tbs met voorwaarden) en art. 38v (gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel).
straf, al dan niet naar aanleiding van het in randnummer 2.2 genoemde arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 31 januari 2024. [37] Het bewuste arrest van het hof houdt hierover het volgende in (met weglating van de voetnoten):
Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaardelijke PIJ-maatregel niet mogelijk
straffen. Voorts stelt het hof dat in de memorie van toelichting bij de wijziging van de wet die de voorwaardelijke veroordeling regelt ten aanzien van de bespreking van het jeugdstrafrecht expliciet wordt genoemd dat het gaat om een veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie. Omdat het de enige plek is waar de voorwaardelijke jeugddetentie ter sprake komt, doelt het hof daarmee – zo vermoed ik – op het onderdeel van de memorie van toelichting waarin het wetsvoorstel van art. 14fa Sr en een vergelijkbare voorziening voor jeugdigen in art. 77cca Sr worden besproken. Deze bepalingen regelden [38] dat het openbaar ministerie de aanhouding van de veroordeelde kan bevelen indien er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat een voorwaarde die is verbonden aan de voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf dan wel jeugddetentie is overtreden en bij de rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging kon vorderen. De memorie van toelichting zegt daarover – voor zover het gaat om het jeugdstrafrecht – het volgende:
tenuitvoerleggingvan de rechterlijke uitspraak. [46] Die tenuitvoerlegging kan – aldus de Hoge Raad in voornoemd arrest uit 2017 – ingeval van overtreding van voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, plaatsvinden als de uitspraak waarbij die straf is opgelegd nog niet onherroepelijk is. Bij een PIJ-maatregel lijkt dat anders te zijn. Art. 6:2:22 lid 1 Sv Pro bepaalt immers expliciet dat de PIJ-maatregel (pas) ingaat nadat de rechterlijke uitspraak
onherroepelijkis geworden. Tenuitvoerlegging voordat de rechterlijke uitspraak waarbij de PIJ-maatregel is opgelegd onherroepelijk is, lijkt dus in strijd met de wet.
Derde en vierde lid
5.Beschouwing
NJ2023/90, m.nt. W.H. Vellinga van belang. In die zaak had het hof een PIJ-maatregel voorwaardelijk opgelegd en daarbij de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaard. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof gedeeltelijk, maar niet ten aanzien van het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. In cassatie werd echter niet geklaagd over dit bevel en de Hoge Raad ziet enkel in uitzonderlijke gevallen ruimte voor ambtshalve vernietiging. [56] Aan het enkele feit dat de Hoge Raad het arrest op dit punt in stand liet kan daarom niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de Hoge Raad de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaardelijke PIJ-maatregel toelaatbaar acht.